2 potjes room en 6 blikjes bier
De man voor me plaatste twee potjes room en zes blikken bier op de band.
Zijn vrouw had aan haar kinderen en man gevraagd of er iemand voor haar snel naar de winkel wilde. Ze was de room vergeten tijdens haar zaterdagse boodschappen. Hij wilde wel, graag zelfs. Dat gaf hem de kans ongestoord bier te kopen. Onderweg naar huis dronk hij alvast twee blikken leeg. Het afval verdween in de struiken. De vier resterende blikken verstopte hij in de garage, bij zijn timmergereedschap. Die bewaarde hij voor ’s avonds. Zijn vrouw zou immers nog weggaan, naar een of andere cursus. Net voor hij de keuken instapte, stopte hij een muntje in zijn mond. Hij dacht dat hij de geur van het bier zo kon verdoezelen. Dat was niet zo. De vrouw nam de potjes room aan en kookte verder. In stilte.
Weer had ze het voelen aankomen. Opnieuw de teleurstelling en de machteloosheid trachten de baas te blijven…Was het de vierde of de vijfde keer dat hij herviel? Ze was de tel kwijt.
Binnen een week, hooguit twee, zou ze de eerste lege whiskyflessen vinden in de garage en rond die tijd zouden ook de kinderen het merken: de plotse woedeaanvallen, afgewisseld met momenten van totale afwezigheid en vooral het urenlang staren naar het leegstaande huis aan de overkant van de straat… Zijn ouderlijk huis.
De plaats die zijn vader jaren geleden had verlaten om nooit meer terug te komen. De plaats waar zijn moeder nu juist tien jaar terug héél plotseling en onverklaarbaar was gestorven. Ze was een sterke, dominante vrouw en hij was enig kind.
De band die hij nog steeds met zijn moeder voelde, was hem niet tot steun, integendeel. Hij wou absoluut niet naar de overkant, zelfs niet in het voortuintje en ondertussen raakte alles daar in verval. Hij wou het huis niet verhuren of verkopen. “Dat wil ze niet” zei hij steeds. In een dronken bui beweerde hij al eens, zijn handen tegen zijn oren gedrukt, dat ze hem weer riep. “Hou op, hou alsjeblief op!” schreeuwde hij dan...
Ze mengde de room voorzichtig onder de saus. Het was belangrijk dat de bereiding niet terug aan de kook raakte. Net toen ze de temperatuur iets lager regelde, hoorde ze de voordeur. Ze liep door de keuken naar de woonkamer en toen ze daar door het raam keek, zag ze hem.
Hij stak de straat over, liep aarzelend het overwoekerde tuinpad op tot aan het huis en verder langs de zijgevel naar de achterkant. Met zijn hangende schouders, gebogen hoofd en onzekere tred maakte hij een oude, vermoeide indruk.
Hoe vreemd ze zijn gedrag ook vond, ze ging hem niet achterna. Hij zou alleen willen zijn. Het was misschien het begin van een verwerkingsproces…
Haar roomsaus lukte wonderwel, maar ze at alleen met de kinderen. Lang na middernacht was hij nog steeds niet teruggekeerd. Ze wist niet of hij een zaklantaarn bij zich had. Er was niets te zien aan de overkant. Ze was er zich van bewust dat er hoe dan ook een moeilijke periode aanbrak. Ze slikte een zware slaappil en sliep tot laat in de ochtend, verdoofd en droomloos.
In de namiddag had ze eindelijk al haar moed bijeengeraapt en waarschuwde ze de hulpdiensten.
Hij werd gevonden op de eerste verdieping, in de slaapkamer van zijn moeder. Scheefgezakt op de bureaustoel voor haar secretaire. Dood. Geen boodschap, geen briefje, geen aanwijzing, niets. ‘Oorzaak van overlijden voorlopig onbekend’ zou er later in de krant staan.
Ondersteund door een politieagent ging ze bleek en rillend het huis binnen. Het viel haar onmiddellijk op: die bekende zware, zoete geur… Hij werd nog sterker toen ze de slaapkamer naderden. Ze kon het niet direct plaatsen, bleef onbewust zoeken naar een link.
Toen ze een ingekaderde foto van moeder en zoon zag hangen op de overloop, vielen de puzzelstukjes elkaar: het was de geur van haar parfum. Hij hing in het ganse huis en vooral in de slaapkamer, alsof ze er kortgeleden nog was geweest…
