Archief voor: Maart 2009
Meisje

“Is dat niet het beste?”
Als ik ja zeg, maakt mij dat dan verantwoordelijk? Ben ik dan de moordenaar van het dier dat ooit de tienertranen van mijn wangen likte?
Ik zwijg. Ik weet het ook niet. Wanneer is het genoeg? Wanneer duurt oud zijn al te lang?
Je bent dolblij ons te zien, de stramheid in je enthousiasme. Ik trek je tegen me aan. Je hijgt.
Ik weet het niet.
Ik weet nog goed...

Ik weet nog goed dat Koning Boudewijn naar Afrika trok, voor lang zene, een maand ofzo. Ze noemden hem daar Bwana Kitoko, dat betekende iets als ‘mooie jonge baas’. Dat was in 1955 en ik moet ongeveer zo’n 20 jaar zijn geweest. Het was de eerste keer in lange tijd dat we nog eens fier op ons land konden zijn, want dat met zijn vader is niet goed geweest. Hebt ge dat op school ook geleerd? Zo’n school! (steekt zijn duim in de lucht).
Het verhaal van een leugen

Een groot zwart kruis, had m’n moeder gezegd. Het zou op m’n voorhoofd verschijnen en nooit meer weggaan, zodat iedereen het zou weten indien ik een leugenaar was. Het woord leugenaar werd door haar uitgespuugd. Liegen was zo ongeveer het laagste wat een mens kon doen en het voelde of je de doodstraf zou krijgen, mocht je’t gewaagd hebben. Bij haar gold ook: eens gelogen, altijd een leugenaar. Eigenlijk was er geen ontkomen aan, liegen zou jamais vergeven en vergeten worden. Goedbedoelde leugens bestonden niet. Verbloemingen konden niet. Fantasie mocht niet.
12 november 2000

De generale repetitie is vlekkeloos verlopen. De hele regie zit er bij iedereen goed in. Muzikaal is het een juweeltje geworden. De uitdrukking “een slechte generale repetitie betekent een goede première” lijkt niet op te gaan.
Iedereen is opgetogen over deze productie van “La Fanciulla Del West” van Puccini. Het is het verhaal van een meisje dat in de jaren rond 1850 tijdens de goudkoorts in Californië een saloon runt en verliefd wordt op een bandiet. Onder leiding van de sheriff, die zelf verliefd is op het meisje, vinden de mijnwerkers de bandiet en willen hem opknopen. Maar Minnie, het meisje, weet hen te overtuigen dat ze hem moeten laten gaan en gooit daarbij al haar charmes in de strijd. Samen met haar bandiet verdwijnt ze achter de horizon naar een lang en gelukkig leven.
Ik had niets meer te verliezen

Je ging rond hetzelfde tijdstip als ik met je hond wandelen. We kwamen nooit verder dan een paar meter in elkaars buurt want mijn hond verdroeg geen andere honden, zeker geen zwarte zoals jouw Groenendaler. Ze was prachtig, haar ogen stonden altijd helder en waakzaam, haar houding deemoedig ten opzichte van jou maar in een knip weerbarstig en moedig naar buitenstaanders indien de omstandigheden dat vereisten. Later zou ik merken dat jouw ogen zelden helder en waakzaam stonden en dat een Groendaler normaal gezien lange manen heeft.
In gedachten verzonken

Het is nog donker wanneer mijn zussen en ik gewekt worden door het geroer in pannen. Hoe zalig klinken moeders stommelende geluiden terwijl ik nog in mijn slaapvel gewikkeld, de resten van m’n dromen afschuddend, niet in staat lijk ook maar één spier in mijn slome lijf te verroeren. Ik tracht mijn vastgevroren lip voorzichtig los te trekken van mijn laken. Je kan iemands adem voor je ogen zien bevriezen in deze periode van het jaar.
Het klopt

Krista
Ze zit naast mij met haar zoute haren en met sproeten besprenkelde witte huid die tegen de gloeiende achtergrond van de ondergaande zon, temidden van de uitgestrekte horizon en de zee, iriseert als was ze een engel die net is nedergedaald om mij te zegenen. Krista’s aanwezigheid zegent mij altijd.
Vijf rode en zeven witte

Het is een soort van handenarbeid, en handenarbeid, dat verzacht de geest, zei mijn vader altijd. Vijf rode en zeven witte. Stevig binden. Knip. Volgende. Zacht, de geest. De tijd gaat traag vooruit.
Geen roze of blauw, daar waren we zeker van, zelfs al hadden we het geslacht toen al geweten. Iets hevigs. Iets dat de kracht weerspiegelt waarmee we uit ons lood geslagen werden door het uitblijven van haar maandstonden. Een kleur vol leven, het totaal nieuwe zijn waarin we terechtkwamen toen de gynaecoloog het ons bevestigde. Rood. Het laken. Te vroeg. Paniek.
Biecht

-Door Mij, met Mij en in mei zal úw naam geprezen zijn. Lieve Godelieve, vrouw van mij, nu en in het uur van onze dood
-Opa?
-Ja, lieverd
-Oma is in de tuin, hoor. Ze haalt worteltjes.
-Oh, ja. Ja, dat wist ik wel. Maar het is toch lief dat je het zegt. Soms vergeet ik wel eens wat, maar niet heel de tijd.
ZIJ en IK

"IK: U bent er opnieuw.
ZIJ: U toch ook?
IK: Ik vlucht hier binnen telkens als het regent.
ZIJ: Het regent niet vandaag. Het is alleen maar ijzig koud. Kan U niet tegen de koude?
IK: Ik wou zien of U er weer zou zijn.
ZIJ: Maar ik ken U niet!
Zie jij wat ik zie ?

Ik zie ons daar nog zitten, op dat bankje, mijmerend bij ons lievelingsdoek ‘Vrouw met luipaard’. Jij dacht eerst dat het een tijger was, maar die hebben zwarte strepen, geen vlekken. Die avond aten we voor de laatste keer op restaurant. In de weken die daarop volgden werd je te moe door de chemo. Ik wil je vragen of je onze uitstapjes mist, maar ik heb mijn stem hier nog niet teruggevonden. Jij duidelijk wel, je tatert aan één stuk door, je bent hier dan ook al langer.
Kapotte knieën

De foto dateert van vijfentwintig jaar geleden. Ze is getrokken op het perron naar Oostende. Je kan zien dat de zon schijnt want mijn witte jurkje schittert en de rode aardbeien lijken echt in plaats van geborduurd. Mijn gezichtje lacht maar mijn ogen spreken met twee woorden. ‘Help mij,’ zeggen ze.
Zonder woorden

Zonder woorden zaten we te staren. We vonden geen woorden meer in het wateroppervlak. Alles was weggevlogen. De vogels hadden alles meegenomen. Maar de manier waarop ik je zag kon niemand me afnemen. Ik keek je aan en zag dat ook jij keek. Je keek met die gekke ogen van je. Die verkleuren met je gevoel. Ze waren grijs. En meer zag ik niet. Toen ik wegkeek, nam je mijn arm. En je draaide me rond. Je draaide me rond tot ik vergat dat ik bestond. Alles tolde en alles mengde. Ik kon er geen weg mee. Ik smeekte om te blijven staan maar wou blijven draaien. En toen stopte je. Je stopte en vertrok. Je gezicht nog even dicht bij het mijne. Ik voelde je adem en rook je net gewassen haar. Die geur die me gek maakte. Ik wou je. Ik wou je nu. Maar je liep weg. En je keek geen één keer meer om. Je was weg. En ik zag je. Voor het laatst.
