Daar voel ik mij thuis
Allemaal goed en wel onder moeders dak wonen. Karen was heel blij dat ze bij haar ouders terecht had gekund op het moment dat ze terug op straat stond, maar ze voelde toch dat er aan de tijd van onder moeders vleugels te zitten een eind moest komen. Zowel zijzelf als haar moeder deden uitermate hun best om het leuk te houden, maar ze merkte hoe langer hoe vaker dat ze er ook daadwerkelijk moeite diende voor te doen.
Uiteraard moest ze geen verantwoording meer afleggen thuis. Daarvoor was ze oud genoeg geworden. En het feit dat ze geen bijdrage diende te betalen - behalve dan de normale zaken als meehelpen met schoonmaken, de dagelijkse afwas, boodschappen doen en haar eigen strijk - had haar misschien nog langer dan gezond was in het ouderlijk huis gehouden.
Ze had haar zinnen echter gezet op iets anders, op iets nieuw. Op iets alternatief zelfs.
Een collega had haar gewezen op een nieuw project waar het kantoor mee bezig was: de verbouwing van een vierkantshoeve tot een ecologisch cohousingproject. De eerste keer dat ze ervan hoorde had ze toch wel heel grote ogen getrokken. Wie verzint het?
De plannen waren wel heel groots geweest en hoe meer ze er over te weten kwam, hoe meer het haar aantrok.
En toen haar collega haar na die bewuste week had gevraagd of ze er niet als vaste medewerkster wilde bij betrokken zijn had ze niet getwijfeld.
Uiteraard had ze niet geaarzeld.
Tuurlijk was het een heel leuk project.
De maquette maken bracht het kind in haar terug naar boven.
Toch?
Uiteraard niet, en ze moest stoppen om zichzelf dat wijs te maken. Toch was het een leuk project. Neh.
Af en toe betrapte Karen zich er op dat ze hele gesprekken met zichzelf begon te voeren. Niet dat haar collega's of haar moeder geen goede gesprekpartners waren. Maar tegen je collega's praat je toch helemaal anders dan tegen een goede vriend of vriendin.
En nu Lisa naar Amerika verhuisd was, had ze geen echte sparringpartner meer.
Uiteraard werd er af en toe gechat en gemaild, maar dat was toch niet hetzelfde. Ze miste haar maatje. Iemand waartegen ze zonder woorden volledige verhalen kon vertellen.
Het moet ergens einde juli 2007 geweest zijn toen er een 'bouwkamp' georganiseerd werd op de hoeve. En voor ze het wist had Karen zich ingeschreven, om een paar daagjes mee te gaan werken/helpen op de hoeve.
Het was voornamelijk opruim- en afbreekwerk geweest, maar dat was absoluut niet erg. Alhoewel Karen niemand van de groep vooraf ooit ontmoet had, toch had ze 's middags aan tafel reeds een vreemd soort samenhorigheid gevoeld. Niet alle van de eters waren reeds vaste projectmedewerkers geweest. Er waren, net als zijzelf, heel wat potentieel geïnteresseerden geweest. Wat ze echt raar, leuk raar dan, gevonden had, was dat er nergens een kliekjessfeer hing. Ook niet tussen de mensen die elkaar ondertussen toch al weer een paar jaar kenden.
In de namiddag was ze aan de praat geraakt met Werner en Hannes. Vader en zoon. Ook al was Hannes nog maar 13, Karen merkte dat deze jongen niet de typische tiener was zoals er zoveel rondliepen in Antwerpen.
Toch was Werner ook niet een doordeweekse geitenwollensokkenman.
Werner was van bij het begin betrokken geweest bij het project en had mee aan de kar geduwd en getrokken. Het had Karen heel wat inzichten verschaft in het concept van 'cohousing'.
Op lange termijn jezelf vastleggen om te gaan samenwonen met andere mensen doe je niet over één nacht ijs. Ook al zou iedereen zijn eigen privéwoonst en zelfs eigen privéterras of -tuin krijgen als alle huisjes afgewerkt waren, Karen had heel vlug begrepen dat de grootste reden om in zo'n cohousingproject te stappen nu eenmaal was dat je ook heel veel tijd met elkaar wilde en zou doorbrengen.
Daarom ging de groep - met z'n allen had Hannes beklemtoond - minstens zes keer per jaar op weekend. Om elkaar nog beter te leren te leren kennen. Of dat nog zo vaak zou gebeuren als het project eenmaal gerealiseerd was, was nog niet zeker, omdat de groep dan sowieso al veel vaker bij elkaar zou zijn.
Samen eten, samen een maaltijd maken, was een van de peilers waarop deze cohousinggroep zich wilde baseren. Daarom ook dat ze als allereerste opbouwproject ook gekozen hadden voor de eetzaal. De voormalige koeienstal en hooischuur.
Op het einde van die eerste dag had Karen er al een heel goed gevoel bij. Of dit echt iets voor haar was en of ze het ook daadwerkelijk zou gaan doen daar was ze toen absoluut nog niet uit. Maar ze was ervan overtuigd dat dit een leuke week kon worden. En met veel plezier zei ze dat ze de volgende dag zou terugkomen.
Op dag twee had ze samen met Marie en Toon en hun zoon Joris, een koppel uit Borgerhout, alle pannen van de toekomstige eetkamer van het dak gehaald. Karen had die dag ook heel veel gezongen en het gevoel dat dit misschien wel eens een heel leuke plek om te wonen zou zijn werd sterker.
De zon had die dag heel hard haar best gedaan om erbij te zijn en misschien was het niet het ideale moment geweest om op een dak te klimmen, maar ze voelde eigenlijk amper de vermoeidheid of haar rode tintelende huid.
Marie was een harde werker, maar niet echt een vlotte prater. Tussen Toon en Marie leek er een soort spanning te hangen. Maar niet een onaangename spanning. Eerder een van een koppel dat samen een pijnlijk geheim met zich meedroeg.
Hun zoon daarentegen was een heel guitige spring-in-het-veld. De zon schitterde af en toe verblindend op zijn koperrode krullenbos. Een jaar of 15 had Karen hem geschat. En heel duidelijk zelf nog op zoek of hij nog tiener was of dat de tienerstreken al uit zijn lijf verdwenen waren.
Op dag drie gingen de pannenlatten eruit en werd het oude dakgebinte nagekeken door Louis. Achteraf zou Karen te weten komen dat Louis zijn vorige woonst ook zelf had gebouwd. Echt veel kantoorklerken was ze hier nog niet tegengekomen.
Joris was die dag alleen gekomen. En op zijn onhandige jongensmanier vroeg hij Karen of ze die dag weer samen zouden werken.
Samen met Joris gaf ze Louis de pannenlatten aan en beantwoordde alle nieuwsgierige vragen van Joris.
Waarom ze geen vriend had? Wat ze hier kwam doen? Wat ze van haar moeder dacht? Waarom ze gisteren niet van de quiche had gegeten? Of ze van videospelletjes hield? Welk werk ze deed? Het hield niet op. Als Karen hem niet af en toe de mond snoerde dan deed ze niets anders dan op zijn vragen antwoorden. Er zat een rare guitige straling in zijn ogen, en als ze niet beter wist zou ze nog denken dat Joris een zwak had voor haar. Pas vele maanden later zou hij haar zeggen wat het was dat hem zo fascineerde in haar.
Op dag vier ging Karen al naar goede gewoonte naar de commonhouse om verder te werken aan het dak. Het leek haar leuk om later te kunnen zeggen 'Kijk, dat dak, dat heb ik mee gelegd'. Marijke was haar echter komen vragen of ze niet mee wilde werken aan de groententuin. Alhoewel groententuin een heel mooi woord geweest was voor wat het was. Aan de vierkantshoeve was een veld van twee hectare dat later de moestuin en boomgaard zou worden. Want niet alleen was een van de toekomstige bewoners een ex-landbouwer, de groep had zich ook tot doel gesteld om voor de gemeenschappelijke etentjes zoveel mogelijk uit eigen tuin te eten. Op dit ogenblik was het volledig beplant met patatjes. De ideale voorbereiding om er het jaar nadien een aantal diverse groenten op te gaan zaaien. Marijke was een hele lieve vrouw en haar uitleg was ook heel boeiend geweest, toch had Karen het na een half uurtje voor bekeken willen houden. Gelukkig had ze een manier gevonden om Marijke te overtuigen dat ze dan wel vanalles kon met haar handen, maar dat groene vingers daar niet echt bijhoorden.
Karen wilde zo graag verderwerken aan haar dak. De reden waarom men liever niet had dat 1 iemand of een beperkte groep iets helemaal afwerkte, vertelde Marijke haar, was juist om te vermijden dat iemand later zou zeggen dat is mijn dak, mijn huisje. Daar was uiteraard heel veel voor te zeggen maar het nam niet weg dat ze het heel spijtig gevonden had. Toen Joris en Hannes haar echter kwamen halen was die druk teveel geweest voor Marijke. En met een brede glimlach vertrok ze terug naar 'haar' dak.
Het was echter op de vijfde - en tevens ook haar laatste dag tijdens het bouwkamp - dat ze Geert was tegengekomen. Het was de eerste keer die week geweest dat ze Geert had gezien, maar daar keek Karen al lang niet meer van op. Het was al iedere dag de zoete inval gebleken en samenwerken deed je op de meest vertrouwelijke manier met mensen die je vijf minuten ervoor nog niet kende.
Maar iets verraadde Karen dat Geert niet een zoveelste werker was op de hoeve. Daarvoor leek hij te schuchter en keek hij te nieuwsgierig rond.
Karen had aan zijn overall al gezien dat hij een 'groene jongen' was. 'Ik werk voor de groendienst' stond op zijn borstzakje geborduurd.
'Als ik van mijn werk kom, moet ik hier altijd voorbij komen. En ik begin toch echt wel nieuwsgierig te worden naar wat dit hier allemaal is. Ik zie hier zoveel verschillende mensen op de meest eigenaardige momenten en plaatsen aan het werk. Kan jij mij meer uitleg verschaffen?'
Karen voelde zich niet helemaal op haar gemak om de 'juiste' informatie te verschaffen, omdat zij uiteindelijk ook niet alles tot in de puntjes wist. Maar iets in haar hield haar tegen om er iemand anders erbij te roepen.
Ze kon het nog niet helemaal plaatsen, maar terwijl ze met Geert over het binnenplein liep en hem ondertussen honderduit vertelde over wat zij de afgelopen week allemaal gedaan en geleerd had, kwam een onbekende lekkere geur haar tegemoet. Karen kon hem niet echt plaatsen en Geert leek haar ook niet het type om parfum te gebruiken.
Pas vele maanden later, op het moment dat Geert fluitend met een paar heideplantjes in zijn handen haar was komen afhalen van kantoor, had Karen de geur van toen kunnen plaatsen.

Nog geen reactie(s)
Plaats een commentaar