De eerste keer
Het kan morgen gebeuren, maar ook nog jaren uitblijven. Dat ze er door zakt. Dan kan ze geen kant meer uit. Maar hoe lang houdt haar knie het nog. Die gedachte laat me al maanden niet meer los. Nog nooit zag ze een ziekenhuis van binnen. Toch als patiënt niet. Met geen stokken wil ze er naar toe.
Al ruim in de negentig is ze, mijn stokoude grootmoeder. Haar verstand is nog altijd bij de pinken. Ze redeneert zo helder als glas. Haar zaken doet ze nog altijd zelf. Dat het lijf niet meer mee is, doet haar pijn. Meer dan pijn zeer kan doen. Vandaag gaat het weer wat minder met de knoken. Vooral die rechterknie speelt al jaren op. Dik gezwollen is hij weer, van het over en weer lopen, want stilzitten staat niet in haar woordenboek. Om de motor opnieuw aan de praat te krijgen, staat ze langzaam op van haar stoel. Ik hou het in de gaten en ga achter haar staan. Ze houdt zich goed vast aan de rand. “Hoor je het ?” En ze kijkt schuin naar achter of ik het ook in de gaten had. “Als die schijf kraakt, dan ben ik vertrokken”, lacht ze. “Het doet even pijn, maar dan vertrekt de trein.” Met een beetje zelfspot heeft ze geen moeite. Dat houd je met beide voeten op de grond. Het zou haar levensmotto kunnen zijn
Gisteren ging ik met haar weer naar de knokendokter. Want beter zal het niet worden. “Het is been op been mevrouwtje”, herhaalt die al jaren. “Alles is op. Er zit geen kraakbeen meer tussen. Geen kussentje meer dat de schokken opvangt. Op is op. En de knieschijf kraakt als een oude koffiemolen. Artrose”.
Het was al vijf maanden geleden dat mammie, want zo noem ik mijn grootmoeder, nog bij de orthopedist langs ging. “Veel te lang”, zei de witte schort streng. “Ben je vergeten dat ik je vier keer per jaar moet zien ? Dat was de afspraak ! Nu kan ik weer blussen”, griende hij. De knie was erg gezwollen en voelde heel warm aan. Van de pijn kon mammie ’s nachts niet in slaap komen. “Voortaan toch maar eerder langs komen voor een dikke spuit”; dacht ze stilletjes bij zichzelf bij het buiten gaan. Dan loopt het niet uit de hand. Heb ik ook geen gezeur aan mijn kop. Dat kan ik missen als kiespijn. Binnen een dag of vijf moet de zwelling veel minder zijn en kan ik weer het erf op. Laten opereren, een nieuwe knie ? Ik denk er nog niet aan! Van mijn lijf blijven ze.
Elke dag het erf op lopen, over en weer, verschillende keren per dag. Dat is haar grote hobby de laatste jaren. Nog vijf kippen heeft ze en één fiere haan. Meer hoeft dat niet te zijn. Het is vroeger wel anders geweest. Ook nu weer vat ze post op het erf, als een trotse koningin, en kijkt geboeid naar de kakelende tweepoters. Hoe de ene kip de vlooien wegpikt in de veren van de ander. Hoe de haan op hoge poten een scharrelaar het hof maakt. Hoe ze zich te goed doen van het afval van de keuken. Die paar stappen zet ze elke dag op “haar” domein. Genoeg voor mammie om alles onder controle te houden. Als een dirigent die zijn orkest stevig in de hand houdt. Want dat heeft ze altijd gewild. Meester blijven over de biotoop die ze zelf opbouwde. Samen met haar man, die tien jaar geleden stierf. Alles doet ze er aan om in haar eigen huisje te blijven wonen. Daar is ze geboren en getogen. Op de resten van het ouderlijk huis bouwde het jonge koppel een nieuwe stek. Kinderen en kleinkinderen lopen er de deur plat. Daar wil ze blijven, kost wat kost. Om de gedachtenis van haar man in ere te houden. Om haar eigen potje te blijven koken. Om haar eigen gangetje te gaan.
Gisteren kreeg ik telefoon van haar oudste dochter. Hete tranen aan de andere kant van de lijn. Mammie was door haar knie gezakt. Ze hield er een zware beenbreuk aan over en pijnlijke schaafwonden. Voor de allereerste keer lag ze in een ziekenwagen, voor een eerste rit naar het ziekenhuis. Van de operatiekamer ging het naar het ziekenhuisbed. Voor de eerste keer onder kille en stijfgestreken lakens. Ze rilde. Drie volle weken lang. Nog langer duurde de revalidatie. Voor de eerste keer elke dag zwaar oefenen met de kinesist van dienst. Ook nog nooit gezien of gehoord. Wat ze ook probeerde, met haar ijzeren wil, terug naar huis gaan lukte niet. Ze belandde in een rolstoel. Rusthuis Avondrust was haar laatste stek. Voor de eerste keer een vreemde omgeving en geen controle meer. Lang hield ze het niet meer uit. Een half jaar later blies ze haar laatste adem uit, voor de eerste keer.
