De Reis

"Megyünk !” .
“Laten we gaan !”. De man keek me recht in de ogen en ik zag dat zijn vinger de trekker van zijn Ak47 omklemde. Zijn collega, een korporaal, gooide m’n rugzak in de koffer van de witgroene politiewagen en ik werd hardhandig op de achterbank geduwd.

Ik vroeg in het Hongaars waar we naartoe reden maar kreeg geen antwoord. Misschien had ik de verkeerde vraag gesteld, misschien wilden ze me het antwoord besparen. De chauffeur, een eerste kwartiermeester, reed als een gek langs de poesta, over stoffige wegen, door een uitgedroogde rivierbedding. Het was alsof hij deze minderjarige crimineel zo snel mogelijk achter slot en grendel wilde. Ik was inderdaad nog geen 18 en had minstens vier wetten overtreden. Niet slecht voor m’n eerste reis.
De korporaal brabbelde wat in zijn microfoon terwijl hij mijn paspoort doorbladerde. Nu en dan hoorde ik enkele woorden die me bekend in de oren klonken. Blotsjk. Dat was mijn naam. Belgiumbol. Uit België. het was niet alleen m’n eerste soloreis, maar ook de eerste keer in een politiewagen. Wat jammer dat de sirene niet aanstond. Welkom in de Socialistische Volksrepubliek van Hongarije.

In het politiebureau van Debrecen kreeg ik een derdegraadsverhoor zoals je dat tegenwoordig alleen nog maar in Israël vindt als je met een Tunesisch visum het land binnenvliegt. Hoe meer ik zei, hoe dieper ik in de problemen zonk. Deels lag dit aan het feit dat ik nog niet zo goed Hongaars sprak, deels omdat ik nog steeds niet wist waarom ik was aangehouden.
‘Waar had ik Hongaars geleerd?’ ‘Waarom ?’ ‘Wat deed een minderjarige kapitalist in de Poesta ?’ ‘Hoe kwam ik aan een Roemeense stempel in mijn paspoort ?’ ‘Welke vrienden ?’
Na een tijdje hoorde ik dan ook de officiële aanklacht :
Primo : het niet registreren van een verblijfplaats in Debrecen;
Secundo : liften is verboden op A- en B-wegen;
Terzo : minderjarige is niet in het bezit van reistoelating van ouders;
Quarto : minderjarige is in het bezit van geld, gewisseld op de zwarte markt.
De korporaal vertelde me langzaam dat ze de Belgische ambassade in Budapest zouden contacteren, maar dat ik zolang in de cel moest blijven. Ik moest me uitkleden en werd daarna gefouilleerd. Volledig. Ik hoorde één van de cipiers grinniken.

Eric grinnikt ook. Ik ben acht jaar en ga in Grimbergen naar school. Ik wil hard huilen maar denk aan papa. Papa zegt dat grote jongens niet huilen. De Directeur bekijkt mij en Eric en zegt niets. Boudewijn en Fabiola kijken ook toe. De Directeur zucht en kijkt me recht in de ogen. Ik ben bang. Hij zegt dat ik altijd overdrijf en dat grapjes maken niet hetzelfde is als pesten. Eric grinnikt als hij dat hoort.
Soms zegt papa dat ik Eric met zijn eigen wapens moet verslaan. Dat heb ik één keer geprobeerd. Zie je het litteken op m’n kin ? En op m’n hand ? De directeur zegt dat per ongeluk niet hetzelfde is als met opzet. Ik wou dat ze dood waren. Papa, Eric, de Directeur.
Soms kan ik niet slapen, dan denk ik aan manieren om aan de pesterijen te ontsnappen. Maar ik ben te laf.

Ik had het erg koud in de cel en de andere misdadigers (twee stuks) waren niet erg spraakzaam. Gelukkig maar, ik had geen zin om te praten. De cipier die me had gefouilleerd lachte soms als hij voorbij liep. Ik hoop dat hij het opwindend vond. Ik niet. Ik zie die man nog steeds voor me, het was een sergeant (ik zou later m’n legerdienst vervullen bij de geheime dienst SDR en daar bestudeerde ik uitvoerig de graden van het Hongaarse leger) die stonk naar goedkope aftershave en motteballen. Het heeft me bijna 10 jaar gekost om de juiste woorden te vinden om deze man te beschrijven, maar toen ik gisteren naar het BRTN-nieuws keek, wist ik het : zoals iemand die te dicht bij een aangespoelde potvis gaat kijken op het ogenblik dat deze ten gevolge van interne gassen aan stukken wordt gereten. De rode blubber die daarbij vrijkomt, lag in fijne laagjes op het gezicht van deze sergeant, oneven verdeeld als op een pizza quattro stagioni. Ik had honger.

Ik lag de hele nacht wakker en hield me voor dat het m’n eerste stap naar volwassenheid was. Tot dan was ik altijd heel naïef, verlegen en onschuldig. Eigenlijk was het een bevlieging geweest om er alleen op uit te trekken, en ik sta er nog altijd versteld van dat m’n ouders me hadden laten gaan. Ik had het jaar daarvoor avondschool Hongaars gevolgd, had een uitnodiging gekregen van een penvriendin om haar te bezoeken en had genoeg gespaard voor een Interrail ticket. Alleen, de mooie plannen die ik had gemaakt, werden door de Hongaarse wetgever danig door elkaar geschud. Sindsdien ben ik nooit meer voorbereid op reis gegaan, ik laat alles aan het lot over.

De volgende dag kreeg ik salami, paprika en wat brood. De eerste kwartiermeester gaf me een brief die ik bij de Belgische ambassade moest inruilen voor een ander document en bracht me toen naar het station. Heel wat zigeuners staken hun handen snel in hun zakken toen ze ons zagen. De zwarte markt was nergens zo opvallend aanwezig als in Debrecen.
Ik wilde naar mijn bewaker zwaaien toen de trein vertrok maar beheerste me en knikte.

Als Eric wat van me steelt, knik ik ook vaak. Ik zie het wel , maar durf niets te zeggen. Een lafaard, dat ben ik. Te laf om mijn mannetje te staan. Ik denk misschien dat het beter zal gaan als ik binnen drie jaar naar de middelbare school mag gaan, maar het zou niet anders zijn. Ik ben te klein, te mager, te stil. De schoolreis naar Zwitserland deed me wel groeien, maar de mentaliteit bleef dezelfde. Wat gek dat ik 10 jaar later naar zo’n ver en vreemd land zou moeten om eindelijk m’n draai in het leven te vinden.

Iedereen keek me op de trein aan, alsof ik in de cel een tatoeage op m’n voorhoofd had gekregen met daarop al mijn zonden. Vier uur later kwam ik op het station van Budapest aan, de plattegrond die de agent had getekend in mijn hand. Budapest was de eerste stad in West-Europa die een metro had, en dat kan je nog steeds merken aan sommige stations. Veiligheid en comfort moesten in die tijd duidelijk wijken voor snelheid en soberheid.

Een half uurtje later stond ik voor de Belgische ambassade, een onopvallend huis met één bewaker, geen metaaldetector en een lieve receptioniste. Ik deed mijn verhaal in het Frans en kreeg een formulier dat ik door de wijkpolitie moest laten tekenen als ik ergens zou overnachten. Ik was al drie dagen in Hongarije sinds ik de grens met Roemenië was overgestoken, maar ik had nog niets gezien van dit land. Ik was doodop en besloot dadelijk naar m’n vriendin te gaan.

Dagmar was twee jaar ouder, een mooi meisje dat conservatorium liep aan de Bela Bartokschool van Budapest. Ze woonde nog bij haar ouders in een klein appartement met zicht op de Donau, niet ver van het centrum. We hadden elkaar leren kennen via een Duits meisje dat met ons correspondeerde en de eerste, korte brieven maakten snel plaats voor langere. Ik, die het moeilijk had met het uitdrukken van mijn gevoelens, vond plots het medium om mijn hoop, angst en belevenissen te verwoorden. Misschien was dat de reden waarom ik op haar verliefd werd, omdat zij me als enige verstond. Misschien was het haar gedrevenheid die me zo aansprak, de wil om ooit in Carnegie Hall eerste viool te spelen. Of misschien waren het mijn hormonen die op hol sloegen bij het zien van al dat fraais. Ik had ooit een wazig fotootje van haar gekregen, maar toen ik ze de deur kwam openen, kreeg ik het warm. Een blanke huid, lang blond haar dat als een waterval over haar borsten stroomde, volle lippen en dat typisch Hongaarse gezicht. Ik begon dadelijk te stotteren.

Als ik me opwind, moet ik stotteren en dan lacht Eric nog harder. Ik heb besloten niets meer tegen Eric te zeggen, doodzwijgen heet dat. Zwijgen tot hij dood is. Ik heb van Meter een schrift gekregen en daarin schrijf ik alles op wat ik doe, voor later. Er staat nog niet veel in, maar ik heb al wel een gedichtje geschreven.

HET CIRCUS
Het circus is één grote zaal
met goochelaars en leeuwen
de clowns die zorgen voor kabaal
ze rennen en ze schreeuwen (frank - mei 1975)

Dagmar was al ongerust want ze had me een dag eerder verwacht, maar toen ik mijn belevenissen vertelde moest ze wel even lachen om m’n naïviteit. Een paar jaar later zou ik lachen wanneer ze uren lang in een Maxi GB zou rondlopen, zoals een kind dat voor het eerst losgelaten wordt in een speelgoedzaak.
Naïviteit is volgens mij gewoon het verkeerd inschatten van een cultuur, denken dat alles is zoals jij het zelf zou willen. Drie dagen lang hebben we enkel oog gehad voor Kunst, Cultuur, Monumenten en Volkshelden. Het leek wel dat we angstvallig probeerden te vermijden iets van onszelf bloot te geven. Aan de ene kant schreven we de meest intieme brieven, aan de andere kant durfden we die gevoelens niet uit te spreken. Het leek wel of we in de brieven onze dromen en verwachtingen koesterden, en dat bij het uitspreken van die gedachten alles in rook zou opgaan.

Ik weet niet meer wie de eerste stap zette. Eigenlijk is dat niet belangrijk voor het verhaal. Waarschijnlijk hadden we allebei een hint gegeven. Een teder gebaar, een romantische opmerking of een naïef complimentje, het doet er niet toe. Ik had nog niet veel ervaring, zij misschien ook niet. Ik weet nog hoe onhandig ik was, hoe bang dat alles verkeerd zou gaan. De droom mocht niet stukspringen, de betovering niet verbreken.

Ik ben inderdaad onhandig. Mama zegt dat ik steeds met mijn hoofd in de wolken loop, dat ik dagdroom. Het gekke is dat ik mij nooit herinner waarvan ik droom. Ik vergeet ook altijd alles. Gisteren m’n turnpak, vandaag mijn boterhammen. Eigenlijk vergeet ik alleen die dingen die ik niet belangrijk vind.

De verblijfsvergunning was slechts zeven dagen geldig, en noodgedwongen verliet ik het land. Zeven dagen tussen Hemel en Hel, zeven dagen die een enorme indruk op mij achterlieten. Ik vertrok naar Italië, maar van die laatste twee weken van mijn reis herinner ik me niet zo veel meer. Belangrijke dingen vergeet ik nooit. Ik vergeet jou nooit.