Een Ritje met de Wagen
“Ik hou van deze auto.”
“Ik ook.”
“Hou je van mij ?”
“Natuurlijk.”
“Ik vind dat we altijd van elkaar moeten houden. Wow, wat een mooie blauwe lucht.”
“Ik vind dat het gras vandaag ook mooi groen is.”
“Ik vind blauw de mooiste kleur die er is.”
“Nee schatje, groen is de mooiste.”
“Wil je weer ruzie maken ?”
“Alleen als jij dat wil.”
“Soms, als we ruzie maken, hou ik minder van jou.”
“Soms hou ik minder van jou, of we nu ruzie maken of niet.”
“Hou je dan meestal wel van mij ?”
“Meestal wel, ja.”
“Was je soms niet liever getrouwd met iemand anders ?”
“Soms wel, maar meestal niet als we een ritje met de auto maken - zoals vandaag.”
“Soms wou ik dat je een betere man was, maar ik besef wel dat elke man die met me trouwt me soms zal teleurstellen.”
“Ja schatje, je zou met hem trouwen en je dan afvragen hoe andere mannen zijn.”
“Soms voel ik me goed en soms denk ik dat er toch iets beters moet zijn. Maar als we een ritje in de auto maken voel ik me goed, en dan weet ik niet of er iets beters bestaat.”
“Je hebt volledig gelijk.”
“Waar gaan me naartoe ?”
“Naar de bergen.”
“Waarom naar de bergen ?”
“Ik dacht dat je naar de bergen wilde.”
“Nee, eigenlijk wilde ik naar het strand”.
“Oh.... Wel, ik kan terugrijden.”
“Nee, we kunnen ook naar de bergen gaan. Hou je van mij ?”
“Ja.”
“Vind je m’n rokje mooi ?”
“Ja.”
Vind je m’n kapsel mooi ?”
“Ja.”
“Vind je me helemaal mooi ?”
“Ja.”
“Vind je me helemaal lelijk ?”
“Ja.”
“Waarom zeg je altijd ‘Ja.’ ?”
“Sorry, ik was aan het nadenken.”
“Waar dacht je aan ?”
“Over het feit dat mijn nieuwe computer zo onlogisch is. Soms, als je uit een programma wil gaan moet je op ‘quit’ duwen, maar soms ook op ‘exit’. Dat is onlogisch.”
“Wil je weten waar ik aan dacht ?”
“Ik dacht aan een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee, waar we samen naartoe konden gaan. We zouden daar altijd kunnen blijven en verliefd zijn. En er zou een blauwe oceaan en een blauwe hemel zijn, elke dag van het jaar”.
“En groen gras ?”
“Had ik je verteld dat ik de tomaten voor die soep zelf heb gekocht in de winkel ?”
“Ja, dat had je al verteld.”
“Heb je het gasfornuis afgezet ?”
“Nee, ik dacht dat jij dat had gedaan.”
“Maar ik dacht dat jij dat had gedaan.”
“Dit betekent dat geen van ons het gasfornuis heeft afgezet”.
“Zal ons huis nu afbranden ?”
“Als de ingrediënten in de pot in brand schieten, dan kan ons huis inderdaad afbranden”.
“Werkt ons huwelijk nog, lieveling ?”
“Ik denk dat het soms werkt, maar meestal wenste ik dat het beter zou werken.”
“Ik ook. Je bent een aardige man, en best knap. Ik ben ook altijd netjes gekleed, en op zonnige dagen ben ik zelfs mooi te noemen. Mijn gezicht is het mooist in het maanlicht. Weet je nog toen je dat gezegd hebt ?”
“Ja.”
“Denk je dat we moeten scheiden ?”
“Ik weet het niet. Je kan vandaag scheiden en er morgen misschien spijt van hebben.”
“Misschien moeten we scheiden en dan later hertrouwen.”
“Ik denk dat het geen slecht idee is.”
