Een sprankeltje hoop
Het gras ritselt. De bladeren dwarrelen van de bomen naar beneden. De wolken schuiven zachtjes voorbij aan de hemel waar ze vergezeld worden door de zon. De bloemen in de wei zijn aan hun laatste dagen bezig. Alles is zo vredig. Net als Sarah. Sarah ligt rustig in de wei, starend naar de wolken en denkend aan het verleden en de toekomst. Een traan bengelt aan haar neus en valt dan onherroepelijk op de grond, tussen het gras. Ze staat op, kijkt om zich heen en rent door de wei. Ze huppelt en springt, valt en rolt om, gewoon haar gedachten omzettend in rare bewegingen. Dan springt ze op haar fiets en koerst richting huis.
“Waar was je?” Sarah’s mam komt vanuit de keuken naar de gang, met in haar ene hand een mes en in de andere een wortel. Sarah pakt de wortel uit haar moeders hand, bijt er een groot stuk af en brabbelt dan iets dat moet lijken op ‘de wei’. Ze spurt de trap op en als ze de deur achter zich toe trekt is alles weer rustig. Net zoals ze het graag heeft. Op haar vensterbank ligt een brief, een roze brief die geparfumeerd is en met een rood lintje is vastgebonden aan een rode roos. ‘Erik’, lacht ze blij. Ze doet het lintje voorzichtig los, legt de roos op haar bureau en scheurt de enveloppe open. Rustig begint ze te lezen:
‘Beste Sarah
Het spijt me dat het zo moet. Maar zo gaat het niet langer.
Ik vrees dat we uit elkaar moeten.’
Meer staat er niet. Sarah moet de brief minstens 3 keer herlezen om te beseffen wat er werkelijk in staat. De waarheid komt aan als een slag in het gezicht. Ze zakt neer op de grond, met haar rug tegen de bureau en haar hoofd in haar nek. Ze wil de tranen tegenhouden, ze niet laten ontsnappen, ze gewoon houden waar ze zijn. Maar veel kan ze er toch niet aan doen. De tranen rollen over haar wangen en haar ogen worden rood. Ongewenst denkt ze terug aan de mooie tijden met Erik. ‘Waarom?’ vraagt ze zichzelf af. ‘Waarom?’ Ze slaagt met haar hand tegen de bureau en de roos rolt eraf. Ze pakt hem vast. ‘Auw!’ Een doorn prikt in haar vinger en een druppeltje bloed valt op de grond. Snel stopt ze haar vinger in haar mond om niet nog meer kostbaar bloed te verliezen. De roos gooit ze weg, zonder er nog naar te kijken.
“Kom je eten?” roept haar mam vanuit de keuken naar boven. “Ik heb geen honger!” roept Sarah terug. Ze heeft geen honger, geen dorst, geen pijn en geen slaap, ze heeft enkel nog het verdriet en de leegte. De kille leegte die haar heeft opgeslorpt. Ze trekt zich omhoog aan haar bureau en probeert op haar benen te staan. Dat is vrijwel onmogelijk. Ze wankelt en valt, gelukkig op haar bed. Ze voelt zich misselijk maar ze moet naar Erik toe. Hem vragen waarom.
Fietsen lukt haar niet meer. Ze is te misselijk en zelfs een beetje duizelig. Dus gaat ze te voet. Ze wil rennen maar ook dat gaat niet meer. Het voelt alsof ze de laatste tijd enkel nog leefde door hem. Ze wil zich verweren tegen het verdriet, de leegte, de pijn. Maar niets is nog mogelijk. Ze houdt zich recht aan de brievenbussen en de hekjes in de straat. Ze draait een straat in. De straat van Erik. Nummer 1, 3, 5, 7, 9, hier is het, nummer 11. Ze wankelt het trottoir op, langs het padje naast de tuin, voorbij het raam tot ze aan de deur komt. Zouden ze wel thuis zijn? Het is zo donker. Ze belt aan. Geen reactie. Ze belt nog eens aan en hoort iemand de trap af lopen. “Ja? Oh, jij bent het.” hij kijkt verbaasd. “Ik wilde gewoon weten”, ze stamelt even,”waarom? We hadden het toch goed samen. 4 jaar verkering.” Sarah barst weer in huilen uit. “Schat, waar blijf je?” Een blond meisje komt van de trap gelopen en slaagt haar armen rond de buik van Erik. Sarah kijkt verbaasd. Ze snapt het. Ze draait zich om, ze wil lopen, heel hard wegrennen. De waarheid ontlopen. Ze hoort Erik nog vaag roepen. Haar naam, denkt ze. Ze weet het niet zeker. Ze rent langs het bos, niet richting huis, gewoon weg.
Langs het meer. Ze besluit hier te stoppen. Ze gaat langs de kant zitten en staart naar het wateroppervlak. Een droevig meisje kijkt haar aan. Haar ogen zijn rood en opgezwollen, haar wangen zijn nat van de tranen die ze gehuild heeft en ze heeft een soort vlammetje branden in haar ogen. Een vlammetje van pijn en verdriet. Ze wil opstaan maar het gaat niet. Het enige wat ze nog kan, is toezien hoe ze dichter en dichter bij het water komt, het vlakke wateroppervlak verbreekt en in het koude water terecht komt. Ze wil naar boven zwemmen maar haar lichaam is verlamd, onder controle van een ander en niet van zichzelf. Het licht boven het water wordt vager en haar laatste lucht geraakt op.
Dan voelt ze een hand rond haar pols klemmen die haar naar boven trekt. Iemand die haar tegemoet gesprongen is en haar het water uit hijst. Snel trekt hij zijn trui uit en Sarah doet hem dankbaar aan. Ze draait zich om, ze wil haar redder bedanken en kijkt in het mooiste paar ogen dat ze ooit gezien heeft. Niet alleen de ogen zijn mooi, de jongen lijkt volmaakt, perfect. Hij slaagt zijn armen om haar heen om haar warm te maken.
Haar hele lichaam vult zich met dat kleine sprankeltje hoop...
