Glasnost

Warme wollige warmte wikkelde zich rond haar ijsklamme hart waardoor zich een plasje lichtroze water in de bodem van haar borstkas vormde. Het klotste soms een beetje wat haar herinnerde aan de ingezette dooi. Maar de harde klomp liet zich niet zomaar smelten en er bleef een koudheid van haar uitgaan.

Honderden zonnen reeds, maar geen was tot de kern van haar kilheid doorgedrongen.
Lang geleden had zij zichzelf diepgevroren met de schamele hoop ooit nog eens tot leven te worden gewekt, als tijden beter werden of de wetenschap een oplossing zou hebben gevonden voor haar hartsproblemen.
De donkerrode stroop die haar kamers vulde werd moeizaam door haar stramme spier rond gepompt.
Het gaf haar bestaan de traagheid nodig om een perfecte vicieuze cirkel te tekenen.
Terwijl ze naast hem had gelegen en hij zijn hand op haar naakte lichaam had gelegd kon zij zich zijn gevoel voorstellen.
De angstige koudheid van gestorven leven.
Een rimpelloze rilling sidderde over haar buik wat hem verkeerdelijk wat stoutmoediger had gemaakt.
Hij was op ontdekking gegaan naar haar verborgen warmte, maar kwam van een kale reis thuis.
Als een gladde kei op de bodem van een koude bergrivier had ze zijn golven langs zich heen laten spoelen maar niet bewogen.
Zij had in haar onbeweeglijkheid zijn bewegingen bepaald.
Hij verstilde, onhandige woorden mompelend terwijl zijn blik nagels in de muren sloeg.
Onmerkbaar verscheen een lente glimlach rond haar ogen.
Ze wist het wel.
Luider dan ze ooit had geluisterd voelde ze haar ijsvlies breken.
Wanneer alles week zal zijn geworden en het bloed weer vluchtig dun als ether zou ze zich geven.
Maar nu, aan het begin van haar grote dooi, wou ze nog even vasthouden aan de zekerheid van het ijs.
Slechts 1 traan trok een bedding in haar wang.
Het pad voor een rivier.