Haartjes

Ik ben vergeten de haartjes op je lichaam te tellen. Ik weet hoeveel ogen, handen en tenen je hebt, hoeveel meisjes ze hebben liefgehad. Ik weet hoe je lacht en hoe je huilt – en hoe die koele blik in beide gevallen openbreekt. Hoe je de tijd neemt om een vraag te beantwoorden omdat je je eerst wilt inleven – en hoe ik daarvan hou. Hoe je stapt en wat dat met me doet – onvrouwelijk, en een beetje alsof je lijf je niet helemaal past, maar ik weet maar al te goed hoe het je wél past, hoe dat lijf in een meisjeskamer versmelten kan met wie je bent en met wie ik ben en hoeveel vrouw wij dan zijn. Hoe je kust. En de wereld kan doen stilstaan. Ik weet hoe je slaapt, halfnaakt, op je zij, met een kussen tussen je knieën geklemd voor je rug. Hoe je ontwaakt en hoe het voelt de korstjes voorzichtig uit je ooghoeken te vegen. Je zijige wimpers te proeven. Ik weet hoe je reageert als ik met mijn lippen je sleutelbeenderen aftast en mijn tong laat rusten in de perfecte holte daartussen. Ik ken de geur van je hals, die thuiskomen is, die ik zocht als ik niet inhaleerde maar onderbroken snuffelde omdat je haar nog nat was en een zeepparfum hem verborg, die geur die in eender welke omstandigheden in een tel mijn verlangen kan opwekken, en die op onverwachte momenten mijn neusvleugels nog binnen waait en me verlamt. Ik weet hoe lief je glimlacht als ik mijn gezicht zachtjes in je hand duw en je een afdruk geef als in zeezand – want scherpe lijnen herinner jij je nooit, alleen indrukken. Ik weet hoe sterk en kwetsbaar je bent, hoe je muren, zuilen, hele constructies bouwt waar ik op den duur niet meer doorbreken kan. Hoe het ijs zich vastzet op je wimperrand als rimmel. En hoe de toonhoogte van mijn smekende stem het ijs niet doet breken, maar ophoogt, tot ik onmogelijk nog in je ogen verdrinken kan.

Maar wat ik niet weet, is hoeveel haartjes het voorrecht hebben zo dicht bij jou te leven dat ze zich lijken te voeden met jouw bloed. Ik ken de haren op je hoofd (donker), de haartjes onder je ogen (ontroerend), de haren op je benen (kort), de haren onder je oksels (nog korter, lichtjes schurend tegen mijn neus wanneer ik je nachtzweet zoek), de haartjes op je buik (lief), de haartjes daaronder (vochtig). Maar ik ben vergeten ze te tellen.

Ik heb wel meer fouten gemaakt, je kunt ze allemaal opsommen, nu nog wel. Maar dát was misschien de grootste. Ik moet terug om ze recht te zetten. Ik moet terug om de haartjes op je lichaam te tellen. Eén keer maar, één nacht maar. Eén maanverlichte nacht. Tellen, glijden, opzuigen, bewaren.