Herfst
Zij heeft geen hond.
Wanneer ze gaat wandelen doet haar krant dienst als surrogaat. Het is een uiterst loyaal uitlaatobject, een houvast en toeverlaat in noodsituaties. Mocht er een wolkbreuk losbarsten, een hevige aardbeving de grond rondom haar voeten wegtoveren, dan kan ze tenminste nog de krant lezen.
De herfst waait bruusk de stad binnen, elke straathoek en wankel oudje zal het geweten hebben. De zon staat al laag aan de hemel. Een grillig wolkendek, rijk aan grijstinten, lijkt een vrije val gemaakt te hebben en hangt als een laag plafond boven verwaaide mensenhoofden.
Zoals steeds wanneer seizoenen elkaar aflossen, overvalt haar een gevoel van vertrouwde bevreemding. Een seizoen duurt net lang genoeg om het vorige met zachte hand naar de vergeetput van ons geheugen te leiden, tot er slechts een vage abstractie van overblijft, een zweem van onderdrukt verlangen.
Met gezwinde pas stapt ze de stad uit, de kroniek van een aangekondigde herfst tegemoet. Met haar dwarrelen late zomergasten mee langsheen de waterkant. Opbollende T-shirts op fietsen, joggers in lange mouwen, kinderwagens met mysterieus glimlachende moeders aan het roer. Zij weten dat de herfst rust brengt. Nog enkele dagen en crèches en kleuterscholen heropenen hun deuren. Door de zon gebleekte vrijetijdskledij mag nog een laatste keertje op stap. Zongetaande huid wordt allengs grauwer in het troebele avondlicht. De gelooide huid zal binnenkort plaatsmaken voor die frisse blos na een boswandeling.
Ze baant zich een weg doorheen een parkje aan de rand van de stad. Berken, populieren en lijsterbessen duelleren met de wind om elk blad. Ze weten dat het een verloren gevecht is want een zich almaar sneller opstapelend bladerdek aan hun wortels confronteert hen met wat onomkeerbaar is. Zij zal de kaap van veertig bereikt hebben, nog voor de volgende lente zich zal tonen. Ook zij staat aan de poort van de herfst in haar leven. Ze identificeert zich nu graag met een ranke, goed geconserveerde zilverberk, stralend onder een kroon van jonge, groene bladeren. Maar nader onderzoek van de pronte boom laat haar een patroon van lijnen zien, die de schors onverbiddelijk doorkruisen. Elke herinnering laat sporen na en herinneringen stapelen zich almaar op. Lijnen zullen groeven worden, doorbuigende takken zullen mettertijd afknakken en nu nog stevige wortels zullen oplossen, verrotten, eroderen. Ze streelt de boom alsof ze hem wil troosten, maar ze weet dat het de boom is die haar troost geeft.
Met een milde glimlach zet ze haar tocht verder. De ritselende bladeren onder haar voeten doen herinneringen aan herfst weelderig opflakkeren. Een blije melancholie, een gevoel van intiem genot streelt haar zintuigen. Ze bereikt de plaats waar ze wil zijn, aan de rand van een uitgestrekt moerasgebied, waar de horizon heerst en waar Zij, de natuur, prominent aanwezig is.
Ze zet zich neer in kleermakerszit en wil zo graag haar verhaal vertellen aan het stromende water, de wervelende wind, de ruisende bomen. Maar zij gebieden haar te zwijgen. “Nu ga jij eens luisteren naar ons.” Stil en eerbiedig luistert ze naar het mooiste verhaal. Het verhaal van de oorsprong van alles, van de aarde, het heelal. Het is een verhaal over aanvaarden, zijn en veranderen. Over geboren worden en sterven. Ze laat haar tranen de vrije loop. In de vorm van een symbolisch minuscule eerste herfstbui schenkt ze de natuur haar tranen, beseffend dat Zij, tijdens het stilwijgend vertellen, haar zo genereus Haar hele wezen gaf. Ze hoefde haar zintuigen slechts te ontsluiten en ze kreeg het allemaal, zo maar, zonder reden, zonder verdienste.
De terugkeer: onwillekeurig ontsnapt haar een zucht, wanneer ze de naar mensenpis stinkende tunnel onder de Joseph Guislainbrug doorstapt. In een opwelling van frustratie geeft ze enkele halfverwelkte paarse bloemen een flinke mep met haar krant. En dan: reclameborden, bus 3 naar Mariakerke, Zeeuwse mosselen met frietjes 19 euro, een man met aktetas die snel op zijn horloge kijkt, een laatste croissant in een bakkersetalage, doeltreffende rimpelbestrijding tegen de ruit van een apotheek, een omgewaaide vuilniszak, studentenkamer te huur: gelieve u te wenden tot… De mensenwereld, ze went gauw. Haar soortgenoten. Allen stappen, fietsen, rijden ze de herfst in. Elk op hun manier, binnen de beschermende cocon rond hun gemoed. Kranig en in gestrekte pas wandelt ze huiswaarts. De wind heeft haar al die tijd zorgzaam gevolgd, vertelt ze zichzelf opgewekt.
Ze aait haar trouwe krant, want op haar vacht heeft ze haar eigen verhaal, onderweg, kunnen neerpennen.
