Het klopt

Krista
Ze zit naast mij met haar zoute haren en met sproeten besprenkelde witte huid die tegen de gloeiende achtergrond van de ondergaande zon, temidden van de uitgestrekte horizon en de zee, iriseert als was ze een engel die net is nedergedaald om mij te zegenen. Krista’s aanwezigheid zegent mij altijd.

Terwijl ze in de verte staart, afwezig over haar blote benen wrijft om het zand er af te schudden, onderdruk ik mijn verlangen om mijn mond op haar lippen te drukken, zacht maar uitdrukkelijk genoeg om haar uit het dagdromen te doen ontwaken. Ik wil haar verdriet wegkussen, ze is een gewond dier en ik moet haar lippen stelpen. In plaats daarvan zucht ik diep. Ze knippert met haar ogen, ik heb haar even uit haar roes gehaald. Ik vraag Krista waar ze aan denkt. Nu zucht zij ook, buigt haar hoofd, slaat dan traag en treurig haar ogen op. Ze zou zo niet naar mij mogen kijken.

Ik weet waar ze aan denkt, waar ze al een heel weekend aan denkt. We zijn naar zee gekomen om haar te helpen er niet aan te denken, om te komen uitwaaien en aan niks te denken. Misschien ligt het aan de zwakke wind, maar het lijkt erop of ze aan niets anders gedacht heeft. Aan hem, zijn handen, ongetwijfeld zijn laatste kus, liedjes die ze allebei mooi hadden gevonden, uittapjes die ze hadden gedaan. Nu zit Krista hier bij mij, haar enige toevlucht. Ik was de enige bij wie ze kon verdragen een heel weekend bij in de buurt te zijn, had ze me toevertrouwd. Bij mij hoefde ze zich niet beter voor te doen dan ze was, had ze eraan toegevoegd, ze kon gewoon in haar kamerjas bij me zitten zonder zich te schamen. Ik wist niet of het een compliment was, kennelijk bedoelde ze dat wel zo. Kirsta kende me nog niet lang maar dat was geen bezwaar, het voelde goed aan, zei ze. Ja, het voelde goed aan, antwoordde ik. Waarom sloeg mijn hart dan een slag over?

Leni
De ontbijttafel is slordig gedekt, ik denk dat Leni nog niet goed wakker was toen ze de koffie inschonk want er zitten verse vlekken naast de broodplank en ze heeft de oude zak brood op tafel gelegd in plaats van de verse croissants die ik ben gaan halen. Ik heb na m’n douche enkel m’n badjas aangedaan en laat opzettelijk veel opening vallen ter hoogte van mijn decolleté en geeuw ostentatief terwijl ik mijn bovenlichaam uitdagend naar voren breng. Haar hoofd rust nonchalant op haar handen en ze trekt één wenkbrauw op maar zegt niks. Zou ze me nu nog niet doorhebben? Ik neem de croissants van het aanrecht en ga mee aan tafel zitten. Ik vraag of ze goed geslapen heeft. Ze laat lucht ontsnappen tussen haar opeengeperste lippen. Als ik erop terugkijk heeft ze dit weekend nog niet veel gezegd. Ze heeft eigenlijk niet eens gevraagd wat er juist is gebeurd. Ik wil het zo graag vertellen. Die baksteen moet van mijn maag.

‘Ik wilde je bedanken voor dit weekend. Vandaar de croissants.’ Mijn stem klinkt niet erg toonvast en ik besluit nog even te wachten. Leni staat plots op en pakt mijn gezicht tussen haar beide handen vast. Ze zijn warm en m’n gezicht begint ervan te gloeien. Leni’s gezicht is nu verlammend dicht het mijne, ik slik mijn zenuwen door. ‘Je moet me nooit voor iets bedanken Krista. Ik doe alles voor je.’ Ze laat haar handen zakken en snelt naar de badkamer, mij verbouwereerd achterlatend. Is het wel verstandig om nu uit de biecht te klappen? Het lijkt of Leni het moeilijk heeft met iets en ik wil er niet nog een schepje bovenop doen. Wat verbeeldde ik me ook. Leni wil gewoon mijn vriendin zijn, mijn maatje. Daar moet ik niets anders van maken. Het wordt tijd dat ik dat aanvaard. Ik moet van mijn hart een steen maken, denk ik.

Koen
Al een heel weekend denk ik aan niks anders meer. Aan Krista, haar handen, haar laatste kus, liedjes die we allebei mooi vonden, uittapjes die we hebben gedaan. Nu zit ze daar bij Leni. Een vrouw die ze amper een paar maanden kende, terwijl wij negen jaren als twee-eenheid achter de rug hebben. Hoe kon ik de signalen missen, de steelse blikken, haar afwezige ogen tijdens onze laatste vrijpartijen, haar onzichtbare tranen als ik vertrok naar m’n werk.

De gedachte aan die twee vrouwen kan ik niet verdragen. Het erge is dat het idee me soms, in een onbewaakt moment, mijn vreselijk gemartelde hart ten spijt ook wel opwindt. Het verscheurt me. Ik blus mijn schizofrene gevoelens met whisky en wodka. De bar is bijna leeg en Krista is nog maar twee en een halve dag vertrokken uit ons gezellige appartement. Die gezelligheid lacht mij nu vierkant uit, treitert mijn bloedende ziel. Volgend weekend ga ik de boel opnieuw verven en alle kamerplanten buitengooien. De ruimte saneren. Alle leven buiten. Mijn hart klopt toch niet meer.

Jean
De twee vrouwen lopen wat te giechelen voor mijn kar, kunnen duidelijk niet beslissen welke ontbijtgranen ze zullen meenemen en dus besluiten ze na wat plagerige opmerkingen de twee dozen maar in hun mandje te leggen. Het valt me op dat ze allebei een blos op hun wangen hebben die me doet denken aan de typische kleur die mijn vrouw in de tijd op haar wangen kreeg nadat ze... Er gaat mij een lichtje op en ik besluit de twee dames in het oog te houden. Ik tracht hen ongemerkt te volgen naar de afdeling hygiëne waar ik uit wanhoop een pak pampers vastgrabbel. Ze blijven maar giechelen en elkaar af en toe lichtjes aanraken. Hun humeur werkt aanstekelijk want ik krijg zin in een praatje.
‘Schoon weer hè’ probeer ik. Ze kijken eens terluiks mijn richting uit. De dame met halflang haar geeft een nauwelijks merkbaar knikje waarna ze beiden zichtbaar van hun stuk gebracht hun winkeluistap vervolgen, zij het iets ingetogener. Ik bijt op m’n lip en verfoei mijn indiscretie. Waarom zoek ik zo wanhopig contact met die jonge vrouwen die duidelijk enkel oog voor elkaar hebben?
Vastberaden om van de onverwachts zonnige dag te genieten, laat ik de wagen staan nadat ik hem ingeladen heb met de aankopen en wandel al fluitend naar het nabijgelegen park.
Mijn longen zuigen zich vol zoete lucht van de prille bloesems, ik geef genietend m’n ogen de kost en vergeet te kijken waar ik loop zodat ik ter hoogte van het voetgangersbruggetje uitschuif over een cadeautje dat een hondenbaasje vertikt heeft op te ruimen. Mijn arme oude knie raakt de grond en m’n handen schuren over het ruwe voetpad. Ik verwacht niet meteen hulp van omstaanders maar tot mijn verbazing duiken de twee dames op die in de supermarkt zo tot m’n verbeelding spraken. ‘Gaat het meneer?’ De vrouw met halflang haar neemt mijn elleboog krachtig vast terwijl de andere m’n jasje proper probeerde te kloppen.
‘Ik denk het wel. Ben geloof ik wat verschoten.’ De dames begrijpen dat maar al te goed. ‘Zullen we u even naar dat bankje helpen?’

Krista, Leni en Jean
Ze zitten nu al een uur op dat bankje, hun gezichten warmend aan de lentelijke middagzon en nog steeds stelt Jean af en toe een vraag die meestal Leni beantwoordt. Hoe ze elkaar hebben leren kennen. Leni bekijkt Krista even met een vragende blik als om toestemming te krijgen om hun verhaal te vertellen. Ze krijgt een knipoog en vertelt over hun eerste ontmoeting, de breuk met Koen, hun weekend aan zee en de onvermijdelijke eerste kus nadat Krista Leni op die bewuste dag naar de badkamer was gevolgd.
Jean knippert tijdens het verhaal geregeld met zijn ogen en moet af en toe z’n gêne wegslikken.

Als Leni een tijdje stil is stelt hij een laatste vraag. Deze keer wendt hij zich tot Krista. Hoe ze er zo zeker van kon zijn dat ze ‘voor de vrouwen was’.
‘Dat is iets dat je gewoon weet, meneer. Zoals u dat bij uw vrouw moet geweten hebben. Ik voelde iets dat ik nog nooit voor iemand gevoeld heb. Het klopte gewoon.’ Krista kijkt steels in het rond als om moed te verzamelen om zich bloot te geven in het bijzijn van een vreemde maar vervolgt dan, ‘Bij Leni... had ik het gevoel dat... mijn hart voor de allereerste keer begon te kloppen, snap je? Het klopte voor de eerste keer in mijn leven écht.’