Het verhaal van een leugen

Een groot zwart kruis, had m’n moeder gezegd. Het zou op m’n voorhoofd verschijnen en nooit meer weggaan, zodat iedereen het zou weten indien ik een leugenaar was. Het woord leugenaar werd door haar uitgespuugd. Liegen was zo ongeveer het laagste wat een mens kon doen en het voelde of je de doodstraf zou krijgen, mocht je’t gewaagd hebben. Bij haar gold ook: eens gelogen, altijd een leugenaar. Eigenlijk was er geen ontkomen aan, liegen zou jamais vergeven en vergeten worden. Goedbedoelde leugens bestonden niet. Verbloemingen konden niet. Fantasie mocht niet.

Mijn moeder is opgegroeid in een gezin van drie dochters, opgevoed door een inwonende tante. Deze gedroeg zich als een ware boze stiefmoeder en behandelde haar zusters als prinsessen, terwijl zij de klusjes en grote karweien op zich moest nemen. Zij mochten naar school, mijn moeder moest thuisblijven om mee in de winkel te helpen en het huishouden rond te krijgen. Ondanks tegenwerpingen van haar eigen moeder. Tante was de mater familia. Mijn moeder moest ook haar eigen zusters bedienen als was ze de meid, dus wanneer zij thuiskwamen van school, had ze te zorgen dat hun eten klaarstond, hun bedden gedekt, hun potloden geslepen.

Tegen de buitenwereld werd steevast verklaard dat mijn moeder te dom was om naar school te gaan. Ze was ook sterker en kon dus harder werken dan de zussen. Ze had handen als ‘kolenscheuppen’, benen als ‘coureurs’, dus daar moesten ze toch gebruik van maken, niet? Mijn moeder kon uren voor de spiegel staan en tot in den treure vragen of ze niet te dit of te dat was hier of daar. Het leek of ze onze goedkeuring nooit liet doordringen en we wisten nooit helemaal zeker welk argument van ons complimenteus betoog haar onzekere spiegelcrisis zou kunnen stuiten.

Haar eerste echtgenoot zou haar vlucht uit het verdorven ouderlijke nest vol leugens en vernedering zijn. Haar tweede echtgenoot was er één uit een verdorven eerste huwelijk vol onbegrip en emotionele verwaarlozing. Wist zij veel dat er zo opnieuw een grote leugen zou ontstaan, namelijk het huwelijk. Want wat is het anders, als een man en vrouw zich jarenlang voor de buitenwereld voordoen als bondgenoten. Wat wordt er anders verteld als je tijdens ontmoetingen met anderen alles beaamt wat je echtgenoot beweert, als je de kinderen wijsmaakt dat dit nu liefde is: elkaar verstikken met projecties uit onverwerkte trauma’s, elkaar klein maken in het bijzijn van anderen en geen ruimte krijgen voor een eigen visie maar die van je partner met geweld opgedrongen krijgen.

Mijn moeder had zoveel leugens in haar leven gehoord, dat ze de waarheid wantrouwde. Vooral als het haarzelf betrof in termen van schoonheid, goedheid, liefde. Want wat voor moeder was ze, als ook zij zich bezondigde aan diezelfde leugens waar ze als jong meisje onder gebukt ging. Wat voor echtgenote was ze als ze haar man nodig had als plaatsvervangende ruggegraat, omdat zij er nooit één had mogen kweken.

En nu haar jaren van gemiste kansen en werelden aan haar voeten voorbij zijn gevlogen, is de tijd voor de waarheid aangebroken. Hoe pijnlijk moet het kraken van de stolp klinken waaronder zij zich in naïviteit en afhankelijkheid heeft kunnen wentelen. Welk een ijle hoogte en eindeloze vlakte openbaart zich nu niet aan mogelijkheden die zij nooit meer zal kunnen exploreren. En toch. Toch is het tijd om die stolp kapot te slaan en diegenen daaronder wakker te schudden. Want niet alleen zij heeft zich daar verschanst, nee iedereen die haar omringt heeft mee haar isolement gevoed. Iedereen heeft schuld aan de leugen. Iedereen is schatplichtig aan de waarheid, haar waarheid. Laat het nu maar klinken en botsen, scherp zijn en snijden, laat het zegevieren en verpletteren. Want moeder uw waarheid is soms ook de mijne en ik kan ook steeds slechter tegen leugens.