Ik had niets meer te verliezen
Je ging rond hetzelfde tijdstip als ik met je hond wandelen. We kwamen nooit verder dan een paar meter in elkaars buurt want mijn hond verdroeg geen andere honden, zeker geen zwarte zoals jouw Groenendaler. Ze was prachtig, haar ogen stonden altijd helder en waakzaam, haar houding deemoedig ten opzichte van jou maar in een knip weerbarstig en moedig naar buitenstaanders indien de omstandigheden dat vereisten. Later zou ik merken dat jouw ogen zelden helder en waakzaam stonden en dat een Groendaler normaal gezien lange manen heeft.
Het duurde niet lang of ik deed mijn wandelingen voor of na het normale tijdstip zodat ik tijdens jouw wandelingen mijn zogenaamde boodschappen kon doen. Tijdens onze geënsceneerde ontmoetingen, kon ik je benaderen en probeerde dan zoveel mogelijk te weten te komen over jouw intrigerende persoonlijkheid. Je was muzikant of tenminste dat trachtte je toch te personaliseren, merkte ik later, want je zat vaak op het pleintje op je gitaar te tokkelen terwijl je herdershond wat liep rond te snuffelen. Je deed dat niet voor het geld, er lag nooit een omgekeerde hoed of een open gitaarkist, nee je deed het om je imago op te bouwen, wist ik pas later.
Je was een mysterie voor mij. Dat doel had je ook voor ogen. Opzettelijk maar misschien vaker nog voortvloeiende uit je toestand, legde je zo weinig mogelijk uit. Je deed vage uitspraken die zowel geniaal als simplistisch geïnterpreteerd konden worden. Kiezend voor het eerste, geraakte ik gebiologeerd door je vreemde uitstraling en ontdekte dat je enorm wantrouwend was tegenover de mensheid en vrouwen in het bijzonder. Dat kon ik niet laten gebeuren. Het zou mij wel lukken om door te dringen in dat ongetwijfeld grote hart van je, jouw rijke kern waar ik mezelf aan zou laven en waarbinnen we samen een cocon zouden weven tegen de boze buitenwereld.
Het duurde niet lang of ik woonde bij je in. Het lawaai van de werken naast mijn gezellige huurhuisje werd toch onhoudbaar en je zag het samenwonen wel zitten, zolang ik mij maar onderwierp aan jouw regels van het huis. Jouw huis. Zolang ik mij maar onderwierp, zou later blijken. Ik moest betalen voor elke boterham die ik at, voor elk lepeltje confituur, voor elk stukje toiletpapier, voor elke was die ik in jouw wasmachine draaide, maar ik deed het met overgave want ik dacht, er komt een dag dat je begrijpt dat je me kan vertrouwen. Dat je snapt dat ik geen profiteur ben, dat ik niet zo ben als al die anderen die jouw pijn gedaan hadden.
Al die tijd bleef je een mysterie, hoewel bepaalde aspecten wel duidelijk werden, heb ik nooit begrepen waarom je zo in elkaar zat. Je was altijd mijlenver en toch soms pijnlijk dichtbij. Ik dacht dat ik je wonden moest helpen verbinden, maar in werkelijkheid hielp je mij mezelf te verwonden. In die tijd schreef ik vaak gedichtjes op, om de eenzame uren dat jij naar Nederland reed op te vullen en niet knetter te worden van angst dat ze je deze keer zouden tegenhouden of van teleurstelling en verdriet dat ik je niet had kunnen weerhouden, je maar niet scheen te kunnen genezen van de drang om überhaupt naar Nederland af te zakken.
Mijn hart klopt stil
als mijn meest innige gedachte.
In je armen
lig ik naakt
en onbeholpen.
Soms wil ik er weg
rillend van angst omdat
weg niet ver genoeg is
Maar je lichaam fluistert warmte
en ik smelt omdat
dicht niet nabij genoeg is.
Toen je, na vele maanden van mijn gepraat enerzijds en mijn pogingen anderzijds om uit jouw dubbele tong enige samenhang of retoriek te filteren, toch de moed leek te vatten niet meer naar Nederland te rijden met als promesse van mijn kant dat ik geen voorbehoedsmiddel meer zou gebruiken, dacht ik dat de hemel zou openbarsten en de zon voor altijd zou doorbreken. Je zou de nevels en wolken voorgoed vaarwel blazen, ze zouden hun penetrante, weeë geur nooit meer in ons, pardon jouw huis, verspreiden.
Mijn voornemen om een haven aan te leggen voor jouw schepen, een thuis te maken van dit huis, armspieren te kweken om beter en langer te kunnen wiegen, hielp me bij mijn eerder voorgenomen werkpunt, namelijk om beter voor mezelf te gaan zorgen, gezonder te denken over eten, niet meer te laxeren, niet meer over de wc-pot te gaan hangen en mezelf te aanvaarden zoals ik was.
Het werkte een tijdje wonderwel. Allebei slaagden we erin om onze slechte gewoontes te laten voor wat ze waren, we leerden elkaar eindelijk echt kennen want je ogen stonden voor het eerst helder, je spraak was niet bedolven onder raadsels en afgekapte zinnen. Alleen jammer dat ik niet met mijn vriendinnen kon afspreken of eens naar mijn zus mocht, want je durfde nog altijd niet alleen blijven. Te bang om te hervallen, dacht ik toen. Nu weet ik wel beter, je wilde me helemaal voor jezelf.
Ik herinner me een astronomisch hoogoplopende ruzie over een vrouwelijke collega van mij die veel rugklachten had en waaraan ik had voorgesteld om regelmatig eens een rugmassage te gaan geven tegen een vriendschappelijk prijsje. Je vond het een vorm van ontrouw, ik mocht mijn handen niet over het lichaam van anderen laten gaan, vrouw noch man, het kon absoluut niet en het idee alleen al dat ik daar nog maar aan dacht kwetste je diep. Wat ik toen niet begreep, begrijp ik nu wel maar ik schudde het van me af en liet mezelf ontroeren want wat moest je me wel heel graag zien en nu ik eindelijk tot je was doorgedrongen, mocht ik je toch zeker niet teleurstellen.
Dus ging ik mee in je verstikkende greep. Ik onderwierp me actief aan jouw eisen, je gedachtenkronkels, je regels voor mijn activiteiten, mijn contacten, mijn kleding, alles. Het is in die periode dat ik ben beginnen krassen op mijn armen.
Is het de kilte
of de eenzaamheid
die als een sluwe
inbreker m’n nachtkleed
binnendringt
terwijl ik
gevloerd
op de badkamertegels
wacht
op de pijn
die uit mij
sijpelt
de krassen op m’n huid
de scheuren in m’n ziel
Je vond het een vreemd neveneffect van je ontwenning dat je blijkbaar niet meer zo virtuoos gitaar kon spelen als voordien. Ik verzweeg het feit dat je net zo slecht speelde nu als voor je ontwenning maar dat dit je in nuchtere toestand waarschijnlijk pas echt opviel. Om je te laten ontstpannen, stelde ik een improvisatiesessie voor, ik op mijn piano, jij op je gitaar. Je vroeg me om akkoorden te spelen van Jazz standaards, je gaf me partituren maar ik had ze niet nodig want op gehoor vond ik de akkoorden vanzelf, ik had nooit anders geweten. Je werd pisnijdig want jij had al jaren je zuurverdiende geld afgegeven aan muziekscholen en privélessen en nog kon je niet wat ik kon en ik had daar niet eens voor moeten studeren. Hoe kon dat? Ik heb je zelden zo kunnen raken als toen, al was dat niet mijn bedoeling.
Hoe hard ik ook mijn best deed om gevolg te geven aan je vreemde regels, je absurde eigen logica, telkens was er iets waardoor je wantrouwen, je achterdocht aangewakkerd werd en dan volgde een lange weg van verantwoording, bewijslast, kruiperige nederigheid. Het was telkens angstig afwachten of je mij het voordeel van de twijfel zou gunnen, of je weer een week zou zwijgen en ik niet op hulp moest rekenen, zelfs als de wc-rol op was of ik bijna van de trap donderde met een lading wasgoed die ik dan naar de wasserette moest brengen in plaats van naar jouw wasmachine, want ik had die tenslotte niet mee aangekocht.
Je kon wreed zijn, in die periode. Gek want toen je nog naar Nederland trok, had ik dikwijls gewenst dat je eens een paar dagen niet onder invloed zou zijn zodat ik je ware aard zou kunnen zien opborrelen. Nooit gedacht dat het zo zou uitpakken. In die dagen maakte je ook een machtstpelletje van aandacht en affectie. Je wist bijvoorbeeld dat ik in mijn jeugd dat soort warmte tekort was gekomen en dat speelde je uit. Je zei dat je met opzet net niet genoeg affectie gaf, net zoals bij een hond, want dan hield je me ‘alert’. Je gebruitke het woord alert, maar je bedoelde nederig. Het is rond die periode dat ik opstandig begon te worden. Niet toevallig ben je rond dezelfde periode beginnen slaan.
Op een ochtend werd ik wakker en mijn lichaam voelde heel speciaal, anders op een manier dat ik het nog nooit ervaren had. Ik was zwanger en ik had geen predictor nodig om het te weten. Maar toch ging ik er één halen. Naïef genoeg hoopte ik dat een confrontatie met het nieuws jou milder zou stemmen. Dat was ook ongeveer een week het geval, maar een kleine weerspannigheid van je eigen hond deed je ontploffen. Je had al staan roepen op het arme beest dat in de deuropening in elkaar kroop, je uitzinnige stem weergalmde in de hal, en je arm nam nu een aanloop om met je vlakke hand op haar hoofd terecht te komen. Met superkrachten, leek het wel, kon ik op één seconde tot bij jullie komen en ik nam je arm stevig beet en keek je aan met mijn meest doordringend blik. Op kalme toon sprak mijn plots gedecideerde stem: ‘Waag het niet dit dier pijn te doen want dan krijg je met mij te maken’.
Je hond is er toen goed van afgekomen. Ik wat minder. Al bij al viel het mee, de blauwe plekken waren niet zichtbaar voor de buitenwereld zodat ik geen schaamte moest zien te verbergen. Elke avond viel ik stil schreiend in slaap, niet één keer heb je gevraagd wat er scheelde. Dat was eigenlijk een opluchting en tegelijkertijd zo veelzeggend voor me.
Waarom zo donker
waarom zo koud
welke bittere wolken
drijven mij
naar dit woordenduister
Is het de oneindige afstand
in je ogen
of de eenzaamheid
in m’n armen
Moedwilliger dan ooit
kronkelt de weg naar
je huis,
het staat er nog
maar je bent allang
verhuisd.
Ik dacht aan het kindje in mijn buik en vreesde voor het leven waarin ik het zou storten. Het was zo hartverscheurend want ik hield al van het wezentje maar tegelijkertijd dacht ik dat hij of zij maar beter niet geboren kon worden. Daar voelde ik me dan weer heel schuldig over. Ik heb geen beslissing moeten nemen, het kindje heeft dat zelf gedaan, om mij van schuldgevoel te sparen, al is dat niet gelukt. De dag dat ik bloedde, wist ik al dat het kindje verlost was van een vreselijke toekomst.
Jouw reactie was gelukkig geen gewelddadige maar daarom niet minder beklijvende. Toen je zei, “Het is niet als een gebroken fles melk, wanneer de winkel open is, haal je een nieuwe,” dacht ik “Jij bent niet meer dan een rilling die over mijn rug loopt”.
Na een paar weken was ik lichamelijk gerecupereerd en op een dag dat jij was gaan werken, heb ik mijn koffers gepakt. Veel werk was het niet want je liet niet veel van mijn spullen toe in jouw huis. Mijn ouders stonden meteen klaar, ze hadden al die tijd op mijn telefoontje gewacht. Ze waren al lang bezorgd geweest, maar durfden niets zeggen om het niet nog erger te maken.
Ik heb je nooit meer gezien en ben daar heel blij om, maar soms vraag ik me af of je opnieuw naar Nederland rijdt, of je opnieuw verloren bent geraakt in je nevels, in je gefabriceerde realiteit waarin je geen volzinnen hoeft uit te spreken, waarin je jezelf ongelooflijk grappig vindt wanneer je absurde raadsels spuit waarvan je het begin aan het einde van je halfzin al niet meer herinnert.
De wonden op mijn huid, de littekens op mijn ziel, ze zijn allemaal genezen, ook in mijn buik is er terug ruimte voor een nieuw leven. Het is gegaan hoe het is gegaan en soms snap ik niet hoe het zover is kùnnen gaan. Maar ik kon pas bij je weg op het moment dat ik niets meer te verliezen had.
Een illusie armer,
weg, liefde van mijn leven.
Zelfwaarde, volledig uit handen
gegeven en nog eens gegeven.
Alles weggeslagen, zelfs
mijn eerste kind mocht niet leven
in ons rijk van Hades
wat had ik nog te verliezen
ik had niets meer om weg te geven.
