In gedachten verzonken

Het is nog donker wanneer mijn zussen en ik gewekt worden door het geroer in pannen. Hoe zalig klinken moeders stommelende geluiden terwijl ik nog in mijn slaapvel gewikkeld, de resten van m’n dromen afschuddend, niet in staat lijk ook maar één spier in mijn slome lijf te verroeren. Ik tracht mijn vastgevroren lip voorzichtig los te trekken van mijn laken. Je kan iemands adem voor je ogen zien bevriezen in deze periode van het jaar.

“Jacobke! Jacobke, luister eens.” Het klopt niet. De stem naast mij kan m’n moeder niet zijn. Met een snik schiet ik wakker en kijk recht in de boezem van mijn Gaby. Het ontwaken is hierdoor wat minder pijnlijk. “Jacobke, ons Mireille is hier met kleine Leo.” De kosmos scheurt, tijd en ruimte sijpelen door de barsten weer op hun plaats, het delicate glas van tegenwoordige tijd loopt vol en ik zwem er middenin.

Een kindje van iets meer dan een jaar staat voor mij te wankelen, zijn ruggegraat zwalpend op zijn knoddige beentjes, moedig de concentratie vasthoudend om op mij toe te stappen. Ik vang hem op en doe hem kirren door hem telkens weer van de grond op te heffen. Geluk kan zo simpel zijn.

Gaby gaat pannekoeken bakken, begint druk heen en weer te roeren en te scharrelen in de keuken. Gedempt gegiechel, geschrei, lieflijke fluisteringen klinken steeds verder af. Het vertrouwd geruis zaait oeverloze rust over mijn ledematen, mijn geest, mijn geheugen. Het glas loopt weer leeg, de tijdsader verandert van stroom, stuwt naar contreien waar ik zo lang gewoond heb, waar mijn lijf nog weerstand bood tegen ontbering en natuurkrachten.

Moeder schept de assen van vorige avond in onze klompen, onze leren schoentjes kunnen niet tegen sneeuw. In de pannen begint de havermout open te breken, laat zich vullen met kokende verse melk. Straks zullen onze maagjes, loom en verzadigend gevuld, een innerlijke warmtekruik tegen de hardvochtige winter vormen.

De kadans van onze stappen in de enkelhoge sneeuw doet het gekakel van mijn zussen in mijn oren verstommen tot gemoffeld gefezel. Engeltjes die zingen, zegt mijn moeder altijd als mijn zussen weer eens bezig zijn. Ik zwijg en luister naar hun onzinnige raadseltjes, hun verzonnen woorden, het eindeloze gegiechel. Heerlijk om niets te moeten zeggen. Ik ben een spion zonder vijanden.

Voor we gaan slapen leest moeder altijd een verhaaltje voor. We houden elke keer alle zes onze adem in als de heks gevangen wordt. Ik hoop stiekem dat ze haar deze keer niet verbranden maar dat zij de dorpelingen zal betoveren.

Het wordt moeilijker om mijn ogen open te houden, moeders stem is zo warm en laat mijn gedachten steeds vloeibaarder worden. De klank van haar stem dijt uit als een stemvork die resoneert tot in het diepste van mijn kern. De tijd druipt onmerkbaar tussen de voegen van wat eens een muur was in mijn universum om zo, samen met mij, naar onontgonnen terrein te glijden. Ik kan nu enkel nog loslaten. Het enige wat ik wil weten is dat aan deze kant van de muur tijd een rivier kerft in een dimensieloze ruimte.

Ergens, aan de andere kant van de muur hoor ik stemmen. Ze klinken geagiteerd, bezorgd, roepen een naam. Het zou me iets moeten zeggen, maar ik voel enkel nog de begeerte om niet meer te begrijpen, niet meer te weten, niet meer te zien. Ik kan tegelijk zwemmen en niet zwemmen in de rivier van tijd. Het is er eindeloos groter dan in mijn glas aan de ander kant. Ik hoor tegelijk alles en niets, mijn zussen, mijn Gaby, het geklater van de rivier en tegelijk de laatste klop van mijn hart en niets.