Insomnia
De knarsende garagepoort haalt mij in één ruk uit mijn slaap. Het is nog nacht. Ik hoor het geronk van de auto niet, ook geen stemmen. Dat zijn mijn ouders niet.
Beneden klinkt gestommel. Kastdeuren slaan dicht, zetels verschuiven. Gekletter en gerinkel. Mijn hart bonkt. Wat nu? Ik kijk de kamer rond. Mijn baseball bat is al lang naar de zolder verdwenen. De deur van de keuken piept en de koelkast gaat open.
Mijn hartslag laat zich voelen tot in mijn hoofd, het doet pijn. Blikken dozen donderen op de grond. Glas breekt, scherven knisperen. Mijn oor zoekt het geroezemoes van de buren. Zouden zij niets horen? De politie bellen?
Ik hoor voetstappen in de hall. Het is een man. Komt hij naar boven? Schorre zolen schuren op de treden. Behoedzaam kruip ik dichter en dichter naar de rand van mijn warme bed en wurm me eronder. De voorlaatste trede kriept.
Hij is nu op de overloop. Ik voel mijn hartslag tot in de toppen van mijn tenen. Nat van het zweet kruip ik zo dicht mogelijk tegen de ruwe muur. De geur van de muffe matras geeft me een misselijk gevoel. Het stof kriebelt in mijn neus.
Doffe voetstappen op de gang. Ik hoor hem plassen in het toilet. Hij ritst zijn broek toe, spoelt niet door, boert en gooit de deur van de badkamer terug achter zich dicht. De kamer van mijn ouders! Het bed moet er aan geloven. De kasten schuiven open, met doffe klappen komen kledingstukken op de grond terecht. Kapstokken ratelen.
Weer voetstappen op de overloop. De volgende deur die hij nu tegenkomt is de mijne! Het lijkt of de grond mijn hartslag heeft overgenomen. Ik durf amper te slikken.
De deur kraakt.
Van uit mijn schuilplaats zie ik twee cowboylaarzen. Ze zijn vuil en al jaren uit de mode, enkel de sporen ontbreken nog. Zijn zwarte, afgewassen jeansbroek is onderaan uitgerafeld en hangt vol modder. Hij draait zich om en stapt naar mijn bed. Hij neemt het laken van mijn bed en gooit het weg. Ik zie zijn knie naar de grond dalen. Dof en ongeschoren grijnst zijn gezicht. Een mond met gele en zwarte tanden maalt op een kauwgum. Rotte vis en verschaald bier. Fonkelende zwarte ogen kijken me indringend aan. In pieren plakken lange zwarte haren op zijn ingedeukte wangen. Hij lacht nog steeds en blijft doodstil gehurkt zitten.
Ik verroer geen vin. Ik denk aan de bossen en de beek en het meer. Mijn mond voelt stijf en droog.
Hij tilt de matras op en gooit ze naar de andere kant van de kamer. Vervolgens heft hij de lattenbodem met één hand op.
Ik haal vlug adem, sluit mijn ogen en denk aan mijn onopwindend leven. Dit is maar een droom.
Hij grabbelt me vast en tilt me omhoog tot ik geen grond meer voel. Zijn vieze handen klauwen in het vlees van mijn bovenarmen. Ik zweet als een rund. Mijn ogen openen zich, hij lacht nog steeds. De lachrimpels trekken diepe voren en delen het gezicht in drie. Hij laat me los en ik val op de grond. Verstijfd en verlamd blijf ik liggen. Hij kijkt me aan en haalt zijn schouders op, draait zich om en stapt over me heen.
Mijn lafheid heeft me gered, denk ik, als hij zijn gespierd bovenlijf terug door de deuropening steekt, een pistool boven haalt en me door het hoofd schiet. Point blank. Bang bang, baby, you’re dead.
