Kapotte knieën

De foto dateert van vijfentwintig jaar geleden. Ze is getrokken op het perron naar Oostende. Je kan zien dat de zon schijnt want mijn witte jurkje schittert en de rode aardbeien lijken echt in plaats van geborduurd. Mijn gezichtje lacht maar mijn ogen spreken met twee woorden. ‘Help mij,’ zeggen ze.

Het is zomer en ik ben op weg naar mijn tante Tis. Ze heet eigenlijk Thea Gillis, maar iedereen noemt haar Tis. Ze is lief en bakt lekkere cake: vanille kruim met chocolade aders erin. Ze noemt het marmercake maar ik noem het bloedcake. Alsof ze tijdens het bakken in haar vinger heeft gesneden en haar chocolade bloed in de cake heefl laten inbakken. Meestal ben ik alleen met Tante Tis, maar ’s avonds komt nonkel Karel van zijn werk. Dat vind ik minder leuk, ik kan niet uitleggen waarom. De sfeer slaat gewoon om en ik blijf liever uit zijn buurt.

Ik wrijf met een zorgvuldige vinger een vuiltje weg van de foto en laat mijn hand met de foto daarin zakken tot in mijn schoot. Het mijmeren wil de laatste tijd maar niet ophouden. Mijn moeder is al een maand gestorven maar ik heb mezelf er nu pas toe kunnen brengen om door haar spullen te gaan. De foto’s liggen overal op de grond verspreid en ik zit met opgetrokken benen op de vensterbank, de foto nog steeds in mijn hand, achter het warme glas tussen de enorme yuccaplanten en kijk uit over de binnenkoer van het ouderlijk huis. Hoe vaak heb ik daar niet touwtje gesprongen. Even vaak als ik op m’n knieën gevallen ben waarschijnlijk. Dan depte m’n moeder de wonden met Mercurochroom en had ik twee koraalrode vlekken in het midden van m’n witte melkbenen.

Tante Tis slaat haar armen om me heen en knijpt me bijna fijn. Ze doet heel druk en tettert heel de weg naar haar huis over de nieuwe kittens die Molly juist geworpen heeft of de rare gewoontes van haar buurvrouw Jeanne. Het schijnt dat die soms op haar dorpel gaat zitten roken. Volgens Tante Tis is dat ongehoord voor een dame, echt heel schandelijk. Maar ze schrikt er niet van want ze is dan ook een gescheiden vrouw en die doen meer van die zogenaamde ‘vrijgevochten’ dingen. Ze spuwt het woord bijna uit waardoor ik niet durf te vragen wat het betekent.

Ik sta op van de vensterbank en zoek in de stapel nog onaangeroerde foto’s naar eentje van Tante Tis. Vreemd genoeg vind ik er geen. Ook van nonkel Karel niet, maar dat vind ik niet erg.

De windklokjes rinkelen op de achtergrond. Tante Tis kleurt mijn vingernagels robijnrood, we kijken mekaar daarbij samenzweerderig aan. Nonkel Karel zegt: “Zo meid, kom je zo nog op mijn schoot zitten voor een verhaaltje?”. Tante Tis ziet niet dat mijn adem stokt. Ik kuch even en zeg dat eerst mijn teennagels nog aan de beurt zijn. “Da’s goed, ik hou wel van blote voetjes. Die zijn lekkerder om op te eten,” gromt hij. Tante Tis en Nonkel Karel moeten hartelijk lachen om zijn grapje maar ik verstijf.

Ik zoek nog steeds een foto van Tante Tis als ik een beduimeld papiertje vind met sierlijk geschreven letters. Het is een brief en de enveloppe waar die heeft ingezeten plakt eraan vast met de lijm van de sluiting. Voorzichtig pruts ik ze van elkaar los en begin te lezen.

Nonkel Karel vertelt een lang verhaal over de Bokkerijders, een bende stropers die een pact met de duivel hadden gesloten en de kempen ’s nachts onveilig maakten. Het is zo spannend en gruwelijk dat ik soms wil wegkruipen bij hem, maar ik houd me in want vreemd genoeg gun ik hem dat niet.. Zijn baard ruikt naar soep en zijn klauwerige handen zitten nog onder de teer van de straten die hij legt. Zijn ogen bliksemen als hij de gewelddaden beschrijft van de bloeddorstige stropers. Het idee dat hij van hun sadistische avonturen geniet vervult mij met afschuw.

“Lieve Frie,

je bent mijn grote zus en ik zie je graag, dat weet je. Het is dan ook met pijn in mijn hart dat ik je dit moet vertellen, maar het moet, ooit zal je dat begrijpen. We kunnen Janneke niet meer bij ons laten logeren. Het is een lief kind, echt waar en Karel en ik zien haar doodgraag, maar ze wordt nu groot en stilletjes aan is ze een dame aan het worden.
Janneke zit nu eenmaal in een moeilijke fase en we kunnen het haar niet kwalijk nemen, maar ze gedraagt zich soms wat uitdagend. Uiteraard sluit Karel zijn ogen voor haar conduite, maar dat neemt niet weg dat het niet echt kies is en een maand is voor zijn toestand te lang om in zo’n emotioneel afmattende situatie te vertoeven. Karel is ook de jongste niet meer en wie weet hoe lang hij nog onder ons is, ik wil hem onnodige opwinding besparen.
Hopende dat je tot zolang een ander passend verblijf voor haar kan vinden tijdens de zomermaanden en rekenend op je begrip, in ons zusterschap verbonden.

Hartegroet,
Thea.”

Het wasbakje in de kamer staat een beetje hoog, maar met behulp van een krukje kan ik perfect mijn ‘kattewasje’ doen, zoals mijn moeder de beperkte toilettage noemt. Ik trek mijn truitje uit, hang het ordelijk over de zwaar eiken stoel en klim op het krukje. Het is eigenlijk nogal fris op de logeerkamer dus ik trek mijn onderlijfje niet over mijn hoofd maar trek het op, haal mijn armen uit de bandjes en laat het rond mijn hals hangen. Voorzichtig voel ik of het water niet te heet is geworden en maak mijn washandje nat. Op het moment dat ik mijn arm op wil lichten om mijn oksels te wassen met de heerlijk geurende Sunlight zeep trekt een schichtige beweging in mijn ooghoek de aandacht. Als ik mijn hoofd draai, zie ik vaag de contouren van een persoon achter het glaswerk van de slaapkamerdeur. Dan hoor ik Tante Tis van beneden iets roepen naar nonkel Karel.
Op dat moment volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. Iemand stoot zijn hoofd tegen het glasraam, er volgt nerveus gestommel dat aan het eind van de gang wegsterft en dat wordt vervangen door het geluid van voeten die de trap af stampen.

Ik houd bewust de brief ver voor me uit om de inkt niet te laten uitlopen, de tranen stromen over mijn wangen. Tante Tis... hoe kon ze. De herinneringen aan die tijd zijn altijd door een vage mist omringd geweest. Maar nu komt alles terug. Mijn moeder was van streek geweest, een hele week of langer zelfs, maar ze wilde het niet laten merken. Toch had ik het gezien omdat ze steeds met dikke oogleden boven haar kookpotten stond en ze had heus niet altijd uien gesneden. Kort daarna kondigde ze aan dat ze mij vanaf dat jaar in de grote vakantie met het ziekenfonds op zomerkamp zou sturen in plaas van naar Tante Tis want dat Nonkel Karel sukkelde met zijn gezondheid. We zouden hen nog wel eens gaan bezoeken in de paasvakantie ofzo. Maar sindsdien heb ik hen nooit meer gezien. Tot voor kort, op de begrafenis van moeder. Maar we hebben niet echt met elkaar gesproken. Ik vond dat toen heel raar maar had te veel aan mijn hoofd, te veel mensen om handen mee te schudden en verplichte zinnen mee uit te wisselen.

Ik sta op om een glas water te halen maar stoot mijn knie tegen een verloren nageltje in de deurlijst. Het bloed loopt warm en snel van mijn been naar beneden op mijn witte sneakers. Terwijl ik in de keukenkasten op zoek ga naar de verbandkist kijk ik neer op mijn sneakers die er algauw uitzien als een perverse versie van Tante Tis haar bloedcake. Witleren kruim dooraderd met mijn chocolade bloed.

Die nacht heb ik buikkrampen zoals ik die nog nooit gekend heb. Ik denk aan het paard van mijn buurjongen dat op een nacht kolieken had en met een spuitje voor eeuwig uit zijn lijden werd verlost. Zou het mij ook zo vergaan? Ik kronkel en moet hard gekreund en gesteund hebben want plots staat daar een Tante Tis in mijn kamer met warrelig haar en ontblote borsten. De krampen zijn te pijnlijk om verbaasd te kunnen kijken. Tante Tis helpt me naar het toilet en in de porseleinen pot ontrafelt het mysterie zich tot wat men puberteit noemt. Tante kijkt nu nog bezorgder dan voor ze wist wat er aan de hand was. “Je bent nu een vrouw, Janneke. Vanaf nu wordt alles anders.” Ze keek verdrietiger dan ooit. “Zeg maar niks tegen Nonkel Karel. Hij kan daar niet goed tegen.” Ik bedenk dat ik nooit eerder had opgemerkt dat hij niet tegen bloed kon.

Met trillende handen neem ik de telefoon vast en toets de cijfers in. Als ik klaar ben met de reeks leg ik weer in. Ik doe dit een stuk of vijf keer en stop dan om op adem te komen. Tante Tis heeft geen gsm en haar nummer is al die jaren hetzelfde gebleven. Ik ken het nog vanbuiten, ook al belde ik maar één keer per jaar met haar. Dat was het weekend voor ik de trein naar Oostende nam om te weten te komen wat voor weer het zou zijn aan de kust en wat ik allemaal moest meebrengen, wat we allemaal zouden gaan doen samen.

Het pilletje tegen de buikpijn is uitgewerkt, dat is duidelijk. Mijn benen heb ik opgetrokken om de krampen wat op te vangen, maar de spanning die ik in mijn lichaam heb opgebouwd doet er geen goed aan. Er wordt op de deur geklopt. Het is nog vroeg want het is donker buiten. Ik vraag me af of Tante Tis weet dat ik een nieuw pilletje nodig heb. En of ze weer haar borsten bloot heeft. Het is Tante Tis niet. Als een roofdier, of beter als een bokkerijder komt hij binnen. Nonkel Karels ogen bliksemen weer en zijn klauwhanden graaien de lakens van mijn sidderende lichaam. Dan ziet hij de rode vlekken op de kraakwit gesteven lakens en deinst achteruit. Ik zie een schok door zijn lijf gaan. We kijken elkaar even aan, beiden verschrikt en verward. Dan draait hij zich krachtig om en mompelt iets over een teef.

Opnieuw druk ik de cijferreeks en deze keer hou ik de hoorn vast aan mijn oor. Ik hoor de telefoon overgaan en wacht met hevig kloppend hart het kraken af waarna ik haar stem zal horen. Zijn stem leefde al lang niet meer in het huis. Ook in mijn hoofd was hij al jaren stil. Wat zal ik zeggen?

-Hallo?
-...eh... hallo...eh...
-Ja, wie is’t?
-ik...eh... ik ben het. ’t Is Janneke van de Kempen.
-Oh...
-Ja eh, het zit zo. Ik dacht, ik bel eens even op want het is zo lang geleden en...
Stilte. Ik wacht.
-Gaat het al een beetje met je? Nu je moeder er niet meer is... Dat moet niet makkelijk zijn hè...
-Nee. Dat is zo.
Stilte
-Ik ben haar huis nu aan het opruimen.
-Oh ja, dat moet ook moeilijk zijn.
-Ja, nogal. Ik was tussen de foto’s aan het kijken en...
-Goh, je moeder hield alles bij hè. Zoveel foto’s die had! Ze hield echt àlles bij.
-Ja, alles...

Tante Tis zet een dienblad met thee en beschuit met plattekaas en aardbeienconfituur op haar schoot en klopt haar hoofdkussen op om als ruggesteun achter haar te zetten. “Zo meisje, vandaag hoef je het bed niet uit. Dames krijgen ontbijt op bed.” Een knipoog.
Ik stamel een dankjewel en probeer niet aan m’n beurse buik te denken maar ik zou geen hap door m’n keel krijgen als het daar beneden nog zo blijft dreunen. De rode beschuit met witte stippen, daar waar de confituur niet is blijven liggen, doet me denken aan een paddestoel.
“Zou ik nog een pilletje mogen tante? Ik heb zo’n pijn. Al van sinds Nonkel Karel is langsgeweest deze ochtend, toen was het vorige al uitgewerkt.
Tante Tis bevriest ter plaatse en wordt lijkbleek. “Is Nonkel Karel op je kamer geweest?”
“Ja... heel vroeg. Hij kon niet slapen denk ik.”
“Is hij... is hij...”
Ik had Tante Tis nog nooit horen stotteren. Ze loopt opeens rood aan en draait haar hoofd van me weg. Dan herpakt ze zich. “Is hij bij je komen liggen?”
Een pijnlijke grimas trekt langs haar mond en een onzichtbare band begint zich rond mijn maag te spannen. Ik begrijp niet wat ik verkeerd gedaan heb, maar ik heb het gevoel dat Tante Tis boos is om iets.
“N... Nee, hij zag dat mijn lakens vies waren en is toen maar naar beneden gegaan. Ik snap wel dat hij niet in een vuil bed wilde liggen. Is hij nu boos op me?”
Tante Tis laat een hoorbare zucht ontsnappen en ziet er opgelucht uit. “Nee kindje. Hij is niet boos. Hij is oud en verward. Ik zal hem wel een slaappilletje gaan geven. En dan kom ik jou dat pilletje tegen de krampen geven”.

-Ze hield ook brieven bij. Ik heb er zelfs eentje van jou teruggevonden.
Ik hoor de adem van Tante Tis aan de andere kant van de lijn stokken.
Om mezelf alert te houden, wrijf ik even over mijn geschonden knie. De belachelijk rode mercurochroom steekt fel af tegen mijn beenwitte knieën. Ik heb nooit veel van zonnebaden gehouden. Zelfs tijdens mijn vakanties bij Tante Tis speelde ik onder de parasol. Dat moest ik van haar.

Zij zorgde ervoor dat ik nooit ben verbrand.
-Zullen we eens afspreken, Tante Tis?