Meisje

“Is dat niet het beste?”
Als ik ja zeg, maakt mij dat dan verantwoordelijk? Ben ik dan de moordenaar van het dier dat ooit de tienertranen van mijn wangen likte?
Ik zwijg. Ik weet het ook niet. Wanneer is het genoeg? Wanneer duurt oud zijn al te lang?

Je bent dolblij ons te zien, de stramheid in je enthousiasme. Ik trek je tegen me aan. Je hijgt.
Ik weet het niet.

We praten, maar niet over jou. We zoeken afleiding, uitstel van… Bijna letterlijk. Je drentelt van knie naar knie, laat je kop strelen, een oude dame, langzaam.
Het is een gewone dag.

Ik duw het weg, het nadenken, maar het laat zich niet afschepen. Dit kan niet, het is een vergissing. Je bent nog goed, niet eens zo heel oud. Je kan een stukje lopen, je eet, je jankt niet van de pijn. Dit is fout. Maar ik zeg niks.

Is het voor je evenwicht in de bochten, of om die momenten alleen dat ik er niet voor je was, dat je je zo stevig tegen me aan drukt? Ik streel je oor, steeds opnieuw diezelfde beweging en ik kijk naar buiten. Het regent niet eens.

Je wil er niet uit. Je houdt niet van de wachtzaal met die andere dieren, de inox tafel waarop je je grip verliest. Je hebt gelijk.
Al die keren dat we je overhaalden om toch uit te stappen en binnen te gaan, al die keren van “het is voor je eigen goed” en “de dokter gaat het pootje genezen”. Al die keren dat het waar was.

Drie spuitjes.
Een kalmeermiddel. Het gezicht van mijn broer, verwrongen van de pijn. Je hijgen wordt minder.
Een slaapmiddel. Onze handen op je flank, laatste poging goed te maken wat onmogelijk is. Je zakt neer.
En het laatste. Zo snel, niet eens tijd voor verbazing.

Er is geen verschil. Tot ik zie dat je niet ademt en het op me valt: ze is hier niet. Meisje.
En ik wil het zo hard, dat ik in een hemel geloofde, waar zij nu neerstrijkt.