Nee

De therapeut had haar een opdracht gegeven: “Zoek een dagdagelijkse situatie op, waarin mensen van je gewend zijn dat je instemt en zeg hen deze keer ‘Nee’”.

Het klonk voor anderen misschien absurd en vanzelfsprekend makkelijk, voor haar was het een marteling. De spanning die eraan voorafging, de mogelijke scenario’s en dialogen die door haar hoofd maalden en waarop ze een gepaste reactie moest kunnen bedenken voor ze ermee doorging, putten haar uit tot zweet uitbrekens toe.

Misschien moest ze stoppen met therapie, dan hoefde ze de opdracht niet uit te voeren. Geen stress, geen slapeloze nachten. Ze consulteerde hem nu al vijf onafgebroken jaren en was het eigenlijk meer dan beu om telkens opnieuw te moeten graven in onderliggende gedachten, wortels van trauma’s die haar vermogen tot zelfbehoud zogenaamd overwoekerden. Soms had ze zin om in het midden van een sessie op te staan en recht in zijn gezicht te staan schreeuwen. Gewoon zomaar. Zonder reden. En dan alsof er niets gebeurd was, terug op haar stoeltje te gaan zitten.

Het stoeltje dat trouwens uitermate ongemakkelijk zat. Misschien kon ze het een keer door het raam smijten. Gewoon zomaar. Maar waar moest ze dan daarna op gaan zitten, gebarend alsof er niets gebeurd was? Daar wilde ze nog eens goed over nadenken. Er was zoveel om over na te denken. Ze wenste dat ze die eindeloze gedachtenstroom gewoon kon uitzetten als een draaiende wasmachine. Het is niet goed voor de machine om het zwierprogramma te onderbreken, maar de rust die dan hoorbaar, bijna tastbaar bezit nam van de ruimte was een verademing.

Een dagdagelijkse situatie. Zoals bij mijn ouders gaan eten op zondag? Ze zou ‘nee’ kunnen zeggen en alleen thuis eten. Maar dan moest ze zelf witloof in de oven klaarmaken en ze had geen oven. Zou dat ook lukken in de magnetron? Zucht. Ze moest iets anders verzinnen want witloof kon ze niet missen.

Misschien kon ze ‘nee’ zeggen tegen de postbode als die haar maandagochtend het pakje overhandigde. Ze verwachtte een badjas die ze gewonnen had en keek ernaar uit om ermee voor televisie te kruipen, samen met een pak chips. Dat was voor haar de ultieme vorm van ontspanning, tot grote verbolgenheid van haar therapeut. Ontspanning moest opladen, zoals gaan wandelen of schilderijen maken. Van televisie zou ze alleen maar hersendood geraken. Moest ze het pakje weigeren? Zou ze zich dan zelfzekerder gaan voelen? Minder ‘makkelijk’ zoals de therapeut haar had omschreven?

Jij bent een typische ‘pleaser’. Jij zegt overal ‘ja’ op als je denkt dat mensen dat graag van je horen. Het kan jou niet schelen dat je zelf nooit aan je trekken komt, op geen enkel gebied, als je de ander maar blij maakt. Tevreden. Ongevaarlijk. Gunstig gestemd. Daarom is het met jou kunnen gebeuren. Omdat je niet ‘Nee’ durft zeggen. Vanaf nu ga je leren om dat wel te doen. Maar schrik niet van de reacties. Mensen zullen je ondankbaar, onvoorspelbaar en lastig vinden. Een bitch, zullen ze zeggen. Je zult het verschrikkelijk vinden, want het is jouw ergste nachtmerrie. Maar dat is enkel in het begin zo. Je zal zien, na een tijdje wordt het verslavend omdat je eindelijk kan doen wat jij wil. Het zal je bevrijden. Mensen zullen respect voor je beginnen krijgen.
Ze wilde dat respect wel. Maar ze wilde ook die badjas. Met die badjas zou ze beter kunnen nadenken en tegen woensdag iets vinden.

Maar woensdag brak aan en ze had nog steeds niets gevonden waar ze ostentatief ‘Nee’ op kon zeggen en ze had de moed opgegeven. Opbiechten, preek incasseren en verder wroeten. Altijd maar wroeten en zakdoekjes vol huilen. God wat had ze er veel voor over gehad om vandaag eens niet te hoeven gaan. Om gewoon als een vrije mens op een bankje in het park te mogen zitten, genietend van de passerende moeders met kinderwagens, de brutale vogels op zoek naar kruimels, het lentezonnetje op haar neus.

De therapeut was duidelijk goed gezind. In zijn Hawaïaans hemdje zat hij zomers te wezen op zijn zetel, met haar dossier op het klaptafeltje. Zelfs zijn pen beschreef frivole cirkels, alsof hij zo dadelijk op vakantie vertrok en nog even een laatste plichtpleging met haar voltrok. Het viel haar ineens op hoe hij haar irriteerde. In het begin had ze dat natuurlijk niet door, want tenslotte hielp hij haar om het verleden te verwerken en samen ploeterden ze door de tonnen verdriet die ze meezeulde.

Maar gaandeweg merkte ze soms bij zichzelf een steek van afkeer. Het voelde aan alsof hij genoot van tranen, die hij euforisch een “doorbraak” noemde. Hij leek het fijn te vinden dat ze steeds maar terug kwam om zichzelf in zijn kabinet te laten onderdompelen in lethargie. Volstrekt hulpeloos was ze na een sessie want hij had haar doen inzien hoe erg het wel met haar gesteld moest zijn, gezien haar verschrikkelijke achtergrond.

Nu zat hij daar ook weer alsof hij heel de week uitgekeken had naar dit moment van afgesproken kommer en kwel zodat hij zijn ingeoefende troostende speech kon houden over gekwetste vogeltjes die weliswaar nooit meer hoog zouden kunnen vliegen maar met een beetje hulp van buitenaf nog een relatief zinvol leven zouden kunnen leiden. Of beter gezegd, lijden.

Hij vroeg uiteraard naar de opdracht waarin ze jammerlijk had gefaald en op het moment van haar biecht ving ze toevallig de glinstering in zijn ogen op. Heel even maar zag ze een microgrimas rond zijn mondhoek. Hij had het geweten, nee gehoopt. Hij wist op voorhand dat ze ’t niet zou halen en had er nog plezier in ook.

Hij zette weer één of andere preek in over het kind in haar dat dringend eens moest opgroeien en zichzelf onder handen nemen, maar na korte tijd droomde ze weg. Ze dacht aan haar bank in het park en de voorbij wandelende moeders, de vogels, het zonnetje. Het was lang geleden dat ze nog zo erg naar iets verlangd had als naar het park. Naar buiten. Ze stond op. Gewoon zomaar. Ze stapte naar de deur en hoorde hem mijlenver achter haar prevelen: “Wat doe je nu”, voor ze zich voor een laatste keer omdraaide en verklaarde: “Hier eindigt onze samenwerking, ik heb u niet meer nodig.”

“Maar... we kunnen er toch wel eerst even over praten, je bent me een verklaring schuldig hoor. Laten we ’t er volgende keer over hebben...”
Hij had gelijk. Echt, hij had overschot van gelijk. Net voor ze de deur achter zich dichtsloeg, rolde het verlossende woord vet en bulderend uit haar mond: “NEE”.

Hij had werkelijk al die tijd gelijk gehad, ze had zich nog nooit zo bevrijd gevoeld.