Schaakmat
Het was de strengste winter sinds 1997 en mijn zus en ik beslisten mama’s vingers af te hakken zodat we onze honger konden stillen. Mama was al drie dagen dood en lag opgebaard in de woonkamer, gewikkeld in een paar verscheurde lakens. De warme dekens kreeg ze niet, die hadden Roberta en ik nodig om ons warm te houden. Dode mensen vinden het toch niet erg kou te lijden, dan denken ze tenminste niet dat ze in de hel zijn beland. Terwijl Roberta mama’s vingers spreidde, nam ik het beste hakmes uit de keukenla, en met een kracht die ik niet verwacht had, plantte het lemmet zich in de opperarm van de vrouw die ons had opgevoed.
‘Shit, Robert, je zit er drie kilometer naast’, riep m’n zus, en ze keek me aan alsof ik helemaal wacko was geworden.
‘Chill out’, suste ik, ‘laten we het elektrische broodmes zoeken, dat is minder zwaar en preciezer’ .
‘Ben jij ook al dement geworden, de hele stad zit zonder elektriciteit.’ Mijn zus heeft de hersenen, ik de spieren. Ik nam dus nog maar een zwaai, en slaagde erin het topje van haar pink af te hakken. ‘Proficiat floppy-brain, de enige vinger waar we niets aan hebben’. Ze nam wat lippenstift, trok een rode lijn boven het tweede vingerkootje van moeder’s rechterhand, en wees triomfantelijk naar het kunstzinnige resultaat. ‘Voilà, daar moet je hakken, en snel want ik krijg honger en ik wil een verjaardagstaart’. Ik nam diep adem, hield het mes met beide handen boven m’n hoofd vast, en hakte in één keer vier vingers af. Roberta sprong als een dolle hond achter de vingers aan die als worstjes onder de kast waren gerold, en trok de vier ringen met geweld van de stompjes. ‘Hier is onze redding’ zei ze, terwijl ze de gouden en zilveren ringen in de lucht stak. ‘Laten we naar de zwarte markt gaan’.
‘Een aangrijpend verhaal’, zegt de Roemeen aan de andere kant van de bar. Hij bestelt nog een Whiskey en wisselt enkele vijf-eurostukken voor de Juxebox. Andrej is zo’n typische vluchteling die elke dag minstens twee keer oude hits van Pearl Jam of Veruca Salt draait. Hij kruipt dan terug op z’n vaste kruk en vraagt heimelijk wat mijn filosofie was. Altijd diezelfde vraag, keer op keer. Meestal probeer ik het antwoord schuldig te blijven, en dan kijkt hij me aan alsof ik een geheim bewaar dat niemand anders mag kennen. ‘Mijn filosofie’ fluisterde hij gisteren, ‘is dat het individu niet bestaat !’. ‘Wij kunnen een entiteit niet begrijpen, want als je het eenmaal begrijpt, be-grijp je het, snap je ?’ Eigenlijk snapte ik het niet, maar Roberta en ik hadden zijn euro’s hard nodig en konden het ons niet permitteren elke zwakzinninge filosoof aan de deur te zetten. Anders zouden we iedereen moeten weren, aangezien filosofie en schaken de enige twee’s hobby’s zijn die door de bezettingsregering gesubsidieerd worden. Ik spreek over hobby’s, maar officieel moeten we het hebben over ‘werkverdrijfsbezigheden’. Nieuwspraak was niet mijn sterkste vak op school, en geld voor een intensieve cursus op het Nieuwspraak Taalinstituut heb ik niet.
‘Vertel eens wat over jezelf’, probeert Andrej nog een keer, ‘misschien kan ik je dan vertellen wat jouw filosofie is’.
Ik ben Robert en dat meisje daar is mijn tweelingszusje Roberta. De dag dat we met mama’s ringen op zak naar de markt gingen, was ze 16 en ik 17. Ik was de dag voordien jarig geweest, en nu was het haar beurt. Je moet wel weten, Andrej, dat onze bevalling zo lang duurde dat Roberta vijf uur later werd geboren, op 1 januari 2003. Toen de Vlaamse Onafhankelijkheidsstrijd (2014-2018) begon, zijn m’n ouders naar Bruxel gevlucht om aan de Apartheid te ontsnappen. Mijn vader kreeg geen werk meer vanwege zijn naam (Dieudonné) en mijn moeder werd als collaboratrice (goedgekeurde spelling-zie Groene Bijbel 2019) aangeklaagd omdat ze bij de SuperMaxiMegaGB Jambon d’Ardennes had gekocht. Brussel was toen een belegerde stad met 13 miljoen inwoners, voornamelijk Europese Unionisten en rijke woekeraars die geen goed oog hadden in de toekomst. Mij kon het allemaal niet veel schelen, ik was 12 en had meer oog voor mijn bonzaï.
‘Zwijg maar, ik weet wie jij bent !’. Andrej kijkt samenzweerderig in mijn richting en doorheen een warme walm van whisky en zweet fluistert hij : ‘Loslippige cafébazen zoals jij zijn een gemakkelijke prooi voor filosofen, wij kunnen jullie naar hartelust onderzoeken, analyseren, en uiteindelijk catalogiseren. Jij bent een ecologische fatalist, ofwel een fatalistische ecoloog, daar ben ik nog niet uit. Maar jij bent een lafaard, man, jij kruipt angstvallig terug in de ruïnes van je ziel, afgeschermd van de buitenwereld, een eeuwige banneling in je eigen geest’. Soms heb ik echt medelijden met Andrej, dan neem ik me voor hem geen Jantje Wandelaar meer in te schenken. Ik roep Roberta en vraag of ze me even wil vervangen, zodat ik me kan voorbereiden op de Russische Schaakroulette van morgen. Nog één dag, en dan zal ik fantastisch rijk zijn. Of dood. Of allebei.
‘Jij bent dus Roberta’ hoor ik Andrej zeggen, ‘ jouw broer vertelde me een vreemd verhaal over jouw moeder’.
‘Mijn broer is gek. Dat is hij altijd geweest’. Ze kijkt in mijn richting en zegt extra luid ‘Hij denkt dat hij al onze problemen kan oplossen door die stomme schaakwedstrijd te winnen. Maar wat als hij verliest ?’.
‘Dan wordt hij geëxecuteerd, live op ‘Rad van Fortuin’ spreekt Andrej berustend. ‘Wat kan een mens meer wensen in dit leven ?’. ‘Vertel me eens meisje, wat voelde je toen Robert zo onmeedogenloos de vingers van jouw moeder afhakte ?’
‘Meedogenloos bedoel je. Het was gewoon noodzakelijk. Mama was toch al dood en die ringen hadden heel wat waarde. Als d’r vingers niet zo verkrampt waren, hadden we ze er gewoon af kunnen halen.’
‘Wat was de doodsoorzaak’ vraagt Andrej en hij knipoogt bemoedigend in m’n zus haar richting.
Ik loop naar buiten met m’n houten schaakbord en hoor nog net haar antwoord terwijl ik de deur achter me dichtsla. ‘Kanker, wat anders ? De moderne versie van de zwarte pest, de ziekte van de rijken.’
‘Oh, wat vreemd. Ik dacht dat er al meer dan 20 jaar een medicijn tegen kanker bestaat.’
‘Andrej, de dood is het enige medicijn tegen het sterven. Dat zal altijd zo blijven’.
Ik loop snel door de natte straten, wantrouwig tegenover elke schaduw, elk levend wezen. Er lopen genoeg gekken rond die je een kopje kleiner maken voor een euro. Ik druk mijn schaakbord met zijn ivoren stukken wat dichter tegen me aan en zie in de verte de ruïnes van het lelijkste gebouw van Bruxel. Dat mensen zo’n gedrocht meer dan 100 jaar hebben kunnen dulden, niet te geloven. Wat eens het symbool van justitie en rechtspraak was, is nu uitgegroeid tot de grootste zwarte markt van het land. Waar ooit duizenden advocaten hun pleidooien hielden, lopen nu de hardste criminelen en vuilste smokkelaars. En de kanker heeft zich uitgezaaid over de hele Marollenwijk, want in elke portiek, op elke hoek en in elk café is er wel iemand die wat te kopen, verkopen of ruilen heeft. Chow-Chow, zelfgestookte Vodka of schaakstukken. Schaakstukken zijn erg in trek omdat de voorlopige regering de produktie probeert te beperken. Heel wat smokkelaars houden zich dan ook bezig met het dealen in minderwaardige Friese, Texaanse of Bolivische stukken (de Friese torens worden bijvoorbeeld gerecycleerd uit versleten klompen). Kijk, daar is de vriendelijkste smokkelaar van het Vrije Westen, Ratko.
‘Hoi Robbie, wat een verrassing jou hier te zien. Moet je je niet mentaal voorbereiden op de Grote Dag ? Wow, wat een mooi schaakbord. Is dat Russisch ?’.
Het schaakbord is gemaakt van denne- en ebbehout, versierd met cyrillische tekens en afgewerkt met een fijn laagje bladgoud. Gekregen van mijn moeder. De ivoren stukken zijn met de hand bewerkt, en moeten de slag bij Austerlitz voorstellen. Nee, niet Russisch. Pruisisch. Het officiële schaakbord van Zijne Hoogheid Frederik II.
‘Hoeveel wil je me geven Ratko ? Waar ik heen ga, heb ik zulke dingen niet nodig’.
‘Wie zegt dat je morgen niet wint ? Je weet nog niet wie je tegenstander is’.
‘Winnen of verliezen, ik weet waar ik heen ga. Hoeveel ?’
‘650 euro’. ‘Ok’. Ik neem het geld en maak me uit de voeten.
Ik sta weer achter de bar, leg de 650 euro en een brief je onder in de kassa, en hoop dat Roberta begrijpt waarom ik het moet doen. Roberta is al naar bed en ik praat nog wat met Andrej die mij een paar tips geeft voor morgen. Ik sluit vroeger dan normaal en krijg een paar bemoedigende klopjes op mijn rug. ‘Paard naar e4’ roept Andrej nog en hij ontwijkt behendig een stoel die zich in het midden van het café bevind. Ik doe de lichten uit, kruip in bed en val in een onrustige slaap. Gigantische torens, steigerende paarden en een zwarte koningin proberen mij te radbraken. Zwart-Wit, Wit-Zwart, zover het oog reikt, zie ik alleen maar zwarte en witte tegels. Ik krijg de indruk dat de zwarte tegels groter, zwarter, vuiler worden. Zelfs Mr. Proper geeft zich gewonnen. De witte tegels worden als witte bloedcellen door de zwarte vlekken verdreven, zoals kanker het vlees aantast. 4 zwarte paarden, de Ruiters van de Apocalyps, duwen mij steeds verder in het zwarte land. Uiteindelijk val ik in slaap, helemaal verdrongen door een zwarte sluier. Ik hoop dat ik morgen met zwart mag spelen.
‘Wit !’. De scheidsrechter geeft mij de witte stukken en mijn tegenstander de zwarte. Normaal is het een voordeel om met wit te beginnen, maar voor een keer ben ik niet gelukkig. Ik kijk naar de mensen in de zaal maar zie Roberta niet. Misschien heeft ze het briefje nog niet ontvangen. Maakt niets uit, het is misschien beter zo.
Ik open met een Kasparov-aanval en bekijk mijn tegenstander. Zwarte broek, zwart hemd, zwarte mantel, zwarte handschoenen. En dat zwarte masker. Hij negeert mijn aanval en probeert de flanken te verzwakken. Een vrouwelijke taktiek. Man of vrouw, ik moet winnen. De camera’s zoemen in op mijn zweetdruppels onder mijn lip en ik probeer niet te beven wanneer ik met mijn loper toesla. Schaak.
Het masker ontwijkt zonder problemen mijn aanval en ik moet een pion opofferen. Het is een vrouw, ik ben er zeker van. Die slanke handen. Ze doen me aan iemand denken. De spanning wordt me te erg en ik wil er een eind aan maken : paard naar e4.
Het wordt plots heel stil in de zaal. Op een groot televisiescherm verschijnt de tekst :’Big Mistake’. Ik voel het bloed uit mijn lichaam trekken. De slanke hand neemt de zwarte koningin en plaatst die zachtjes voor mij neer. ‘Schaakmat’.
Roberta ? Ik spring recht, ruk het masker af en zie een grijnzende skelet die langzaam in mijn richting beweegt. De Dood. Ik probeer te ontsnappen maar de veiligheidsagenten duwen me in een hoekje van de zaal. Het lijkt wel een scène uit ‘Fahrenheit zoveel’ van Truffaut, al die zwarte agenten die de televisiekijker zijn dagelijkse portie geweld niet willen onthouden. De Dood neemt haar masker af. Verliezen tegen Nadja Gronzy, regerend wereldkampioen is nog zo slecht niet. Na de reclame komen we terug met de executie. Mr. Proper krijgt alle vlekken uit het tapijt.
Ik word in een stoel vastgebonden en ga kopje onder. Mijn persoonlijk record is een minuut dertien seconden. Alles wordt zwart voor mijn ogen.
Het laatste wat ik denk : ‘650 euro ? Afzetterij’.
