Categorie: Schrijf jij een verhaal voor mij ?
Vroeg in de ochtend
Ik hield van de ochtend. Wakker worden met een kop dampende, pikzwarte koffie. De frisse lucht die mij aan vakantie deed denken, aan de vrijheid die ik had. Het alleen zijn en volledig onafhankelijk. Ook al had ik wel een vriendje, ik hield hem bewust op een afstand. Want uiteindelijk ging mijn vrijheid nog steeds voor alles.
Ik had gevochten voor mijn vrijheid, van jongs af aan. Beetje per beetje vormde ik een plan hoe ik mijn leven vorm zou geven. Et voilà: naar mijn idee had ik het perfecte leven bereikt!
In Italië had ik vrede gevonden in het huisje dat ik in gedachten had al van sinds ik het op reis gezien had toen ik 16 was. ‘Gek ben je, wordt volwassen en begin een leven met zekerheden!’ opperden mijn ouders. Maar zekerheden vond ik ouderwets en saai. Dus investeerde ik al mijn centen in mijn bouwvallige droom en zelfs mijn ouders konden zich vrede vol te slapen leggen in de bedden van mijn B&B. (Tja, die B&B, nog zo’n uitgekomen wens van mij.)
Daar stond ik dus, mij uitrekkend en maar slurpen van mijn koffie –een gehate gewoonte van mijn moeder die ik onderbewust toch overgenomen had-. En van zodra ik een stap buiten zette, wist ik het. Ik hoorde het: de vogels zongen anders. De lucht plette mijn gevoelens. Mijn hart schreeuwde en mijn mond schreeuwde geluidloos mee.
De wereld was hem vergeten. De enige constante in mijn leven. Het enige blijvende dat ik wél nodig had.
Maar de wereld was hem vergeten. Gewoon, zomaar. Een foutje waarschijnlijk. Niemand kan toch zomaar verdwijnen? Alsof hij er nooit geweest was. Mijn gedachtegang was een trein die oorverdovend rond denderde in mijn hoofd.
Ik sloeg met mijn vlakke hand tegen mijn bil waar ik niets vond in de broekzak die ik niet had. Ik zette mijn tas neer en spurtte naar binnen, pakte mijn GSM en belde hem op.
Zijn voicemail vroeg mij iets in te spreken na de toon, maar in plaats daar van sprong ik in mijn kleren en op mijn fiets en vertrok naar het dorp.
Ik woonde hoog dus hoefde in principe niet te trappen, maar deed het toch.
In alle gevoelens en verwarring die ik voelde, verloor ik de weg naar hem. Ik wist echt niet meer waar ik naartoe moest rijden! Plotsklaps werd de mij zo vertrouwde weg naar hem een doolhof. En ik deed.. Welja, wat deed ik? Niet veel in feite. Ik fietste rond en sloeg straten in als een gek.
Op een bepaald moment zag ik dan toch een huis dat me heel bekend voorkwam. Het was alsof ik in de hemel was. Tot ik de lucht weer voelde en mijn hemel ontpopte zich tot een hel.
In een paar seconden stond ik voor de deur en belde aan. Zoals ik half verwachtte deed niemand open, dus pakte ik de sleutel waarvan ik wist dat hij in een bloempot stak en opende zelf de deur.
Ik stapte binnen in het goed verlichte huis waar de geur van wierook ging en stapte meteen door naar de woonkamer. Ik riep hem maar kreeg geen antwoord.
Toen werd ik pas bang. Want ‘Wat als..’. Kalm, ik moest kalm worden. Rustig ademde ik in en uit.
Langzaam liep ik naar de deur die uitkwam op de gang met de trap. Op alles voorbereid legde ik mijn hand op de deurklink, ademde nog eens stevig in en uit en opende de deur.
Daar lag hij. Levenloos onderaan de trap. Zijn nek in een vreemde kronkel net als zijn arm. Ik observeerde zijn gezicht goed, sloot de deur terug en verliet het huis.
Ik onthield die herinnering: het gezicht van een man waar ik zielsveel van hield.
Zo stapte ik terug op de fiets, mijn hoofd gevuld met wolken, en ging naar huis.
Mijn koffie werd vast al koud.
