Sprakeloos
Koffie gutste over zijn kin en baande zich een morsige weg naar zijn pyjamabroek.
Herhaaldelijk probeerde hij te slikken, hief beide armen boven het hoofd en strekte zijn nek. Vergeefs. Toen stak hij zijn tong uit, boog over tafel en liet een restant van het zwarte goedje terug in het kopje druppelen.
Robert dacht niet na over deze handelingen.
Hij was er zich daarentegen wel van bewust dat Piet de parkiet hem uit één ooghoek zat te beloeren terwijl ze gespeeld geconcentreerd haar veren waste.
Sneeuw viel met bakken uit de lucht en dat verbaasde hem. Dit viel niet te rijmen met zijn tijdsbesef. De wijzers van de keukenklok duidden een uur aan dat hij niet kende. Hij wierp een snelle blik op de voorpagina van de ochtendkrant. Angst greep hem naar de keel.
Wat gebeurde hier? Werd er een optisch foefje met hem uitgehaald of wat?
Hij sloot zijn ogen en vloekte hardop. Zijn oren vingen het geluidloze articuleren niet op.
Nochtans hoorde hij wel het zoemen van de lift in het kleine, vijf verdiepingen hoge witte bakstenen flatgebouw.
Hij wendde zijn ogen naar de gang toen er gemorreld werd aan de deur van appartement 8R.
Zijn zus, beladen met twee overvolle boodschappentassen, schopte de deur achter zich dicht. Zij was een mollige vrouw en geestelijk gehandicapt. Haar brede gezicht zag er uit als de smoel van een buldog. De haren waren in een verhullende coupe gesneden, bedoeld om een veelvoud aan ontsierende onvolkomenheden te maskeren.
Ze zuchtte, pootte de plastic tassen met een luide kreun op de keukentafel en zuchtte nog een keer of tien. 'Dag pa' zei ze toen en gaf hem een routineuze kus op de wang. Hij fronste de wenkbrauwen, keek haar argwanend aan. Hij wist niet meer wat ze gezegd had maar het beviel hem langs geen kanten.
Hij opende zijn mond, wilde iets zeggen maar zijn zus was alweer de kamer uit. Hij hoorde haar rommelen in het medicijnkastje.
Strauss weerklonk zachtjes op de achtergrond. Zijn lievelingsplaat.
Moeizaam duwde hij een lichaam dat het zijne niet leek te zijn recht, trachtte zich te oriënteren in de ruimte en draaide zich een kwartslag om. Nu had hij de deuropening naar de gang in het vizier. Voeten weigerden dienst. Warm vocht liep langs zijn benen in zijn schoenen. Ziedend balde hij de vuisten en sloeg ermee in het ijle, voelde hoe allerlei oncontroleerbare grimassen zijn gezicht vervormden.
Na een minuut of wat, het kon evengoed een kwartier zijn, slofte zijn zus met een onnozel gestrikt harig mormel in de armen geklemd, de keuken terug binnen. Abrupt hield ze haar pas in.
‘Pa!!’ schreeuwde ze bijna.
Compleet uit het lood geslagen staarde ze hem aan. Droomde ze nu?
‘Leef je nog?’ waren haar eerste angstig aarzelende woorden.
Ze was amper in staat hem aan te kijken. Wat ze zag, onder de zelfbescherming van haar oogleden door, was een beest. Een spartelend klauwend specimen waar alle menselijkheid uit leek gevlucht te zijn. Het probeerde vergeefs vat te krijgen op beweging en ademhaling. Gelig kwijl druppelde van zijn snor. Vingers als vlijmscherpe messen flitsten voor haar ogen.
Hij siste en in zijn witte oogkassen kwam haat bloot te liggen toen hij haar te lijf ging. Een regen van glas toen haar hoofd tegen het venster smakte. Rauw vlees. Grommend besprong hij haar. Een gebit groef zich in haar schouder. Ze had geen tijd om na te denken, probeerde zich staande te houden en hield de armen afwerend omhoog. Terwijl ze onophoudelijk gilde zag ze hoe hij als een komeet even in het luchtledige leek te hangen, week werd als een naaktslak en daarna, almaar sneller, een cirkel beschreef tijdens zijn val.
Toen werd het donker.
Het was onmogelijk de juiste woorden te vinden voor wat hij voelde. Hij zat gevangen in een cocon, bewegingloos. Hij droomde dat hij viel en het bewustzijn verloor in die droom. Zijn lichaam jammerde en zeurde. Hij vond zichzelf terug in staat van verlamming, als iets dat naast zichzelf lag, los van zijn starre ledematen. De smaak van metaal in zijn mond.
Overleven!
Zonder beweging, ingesnoerd in pijn, woedde een gebrul in zijn hoofd. Hoe oud ben ik? Wat is mijn naam? Wie zit hier naast me te knikkebollen? Nieuwsgierig wandelde hij door een nieuw en complex labyrint in zijn hoofd. Hij wist nog niet dat dit labyrint gaandeweg een broeikas zou gaan worden.
Een man kwam aan zijn bed staan.
Een walm van zweetgeur joeg een vreemde koorts door zijn tweede lichaam, een roerloze schaduw. Robert bleef de man aankijken, ook toen die begon te spreken. Wilde deze onbekende hem iets duidelijk maken? Die man bleef maar doorratelen in onsamenhangende bewoordingen.
Zijn nagels trokken bloedsporen in zijn handpalm. De slang die zich genesteld had in zijn lichaam begon te kronkelen, geselde zijn sprakeloze lichaam.
