Te koop trouwkleed. Nooit gedragen.

Elke dag stond hij om 5.00u op om alles voor te bereiden. Hij waste zichzelf met nauwkeurig afgemeten bewegingen, zeepte de spons exact drie keer in en spoelde zich welgeteld twintig seconden af. Zijn kleren had hij de avond tevoren al klaargelegd in de juiste volgorde. Hij kon eraan beginnen. Vandaag moest eerst de vloer gestofzuigd, daarna geboend. Hij werd extatisch van de geur van boenwas. Liggend op zijn bed, liet hij de walmen door het huis kronkelen en zijn neus binnendringen. Het was nu middag en hij moest maar iets te eten maken.

In de keuken was alles nog kraaknet na de poetsbeurt van gisterenavond. Toch haalde hij een doek met ontsmettingsalcolhol over het marmeren blad. Hij smeerde twee volmaakt identieke toasts met exact evenveel boter in en sneed een stukje Caprice Des Dieux af. De kaas was zijn enige zonde waar hij straks voor zou moeten boeten.

Na zijn lunch maakte hij het aanrecht schoon, haalde opnieuw een doek met alcohol over het marmeren blad en veegde ook de vloer om eventuele gemiste kruimels te verwijderen. Nu was het de beurt aan zijn stinkende vingertoppen, waarmee hij zonet de smeuïge kaas naar zijn mond had gebracht om het romige, lichtjes verachtelijke aroma op te zuigen. De kaas was een kleine perversie die hij zichzelf gunde. Maar nu moesten de sporen gewist worden. Hij schrobde eerst met een stalen borstel en heet water, nadien met een in azijn gedrenkte tandenborstel. De behandeling werd vervolgd door zijn vingers te boenen met teatree-olie: ontsmettend en herstellend.

Met tintelende vingers draaide hij het nummer van Rosie. Vanavond zou ze voor het eerst langs komen. Zijn maag draaide om bij de gedachte dat ze misschien zou willen blijven slapen, maar vreemd genoeg kreeg hij ook blije tintelingen in zijn buik.

-Hallo?

-Eh... dag Rosie, ik ben het.... Guust.

-Oh, dag lieverd, alles goed met je? Mag ik nog altijd komen eten?

-JJJa, natuurlijk, ik wilde weten hoe laat ik je aan de bus moest komen afhalen, dan wandelen we samen nog door het park.

-De bus zou de halte moeten bereiken om kwart over zeven. Tot straks dan?

-Ja, eh... Rosie... eh... hoe zal ik je herkennen?

-Niet! Haha, ik zal jou wel herkennen.

Klik.

Hij had inderdaad eens een foto gestuurd via het chatprogramma, toen zij gevraagd had om de webcam op te zetten. Maar daar was hij te verlegen voor, dus had hij de foto van de trouw van zijn broer maar doorgestuurd. Dat was vijf jaar geleden, toen kwam hij nog buiten. Toen had hij ‘het’ nog niet.

Maar hij moest ophouden met mijmeren en verder gaan met poetsen, straks kwam Rosie dus het moest spik en span zijn.

Rosie had meteen zijn hand genomen toen ze door het park wandelden. Hij ving haar blik op maar gaf geen verklaring voor de schaafwonden aan zijn vingertoppen. De late aprilzon kriebelde in hun neus en Rosie moest een keer niezen. Ze lachten als kleine kinderen en zetten dwaze, grillige stappen in het malse gras.

Tijdens het avondeten was Guust stilgevallen. Eigenlijk was hij aan het piekeren over het moment dat hij zou moeten gaan poetsen. Hoe moest dat nu als zij nog in huis was. Ze zou misschien zelfs aanbieden om mee te helpen en dan zou hij het straks gewoon helemaal overnieuw moeten doen. Hij was bang dat hij ongeduldig zou reageren, ze zou dat niet begrijpen.

Ongewild hielp Rosie hem met zijn dillema. Na het eten kreeg zij last van een te hoge bloeddruk, waarschijnlijk door het glaasje rode wijn of misschien zelfs de opwinding van in een vreemd huis te zijn bij een vreemde man die ze toch een beetje kende. Hij toonde haar het grote eiken hemelbed en zag de lichtjes in haar ogen als ze zich neervleide op het dekbed. Ze was onder de indruk of ze was opgewonden of ze lachte hem uit. Hij wist het allemaal niet zeker. Hij wist niets meer zeker nu het vuil beneden stond te druipen, te krioelen, te broeien.

Het was al bijna middernacht als Guust zwetend en zuchtend zijn poetslappen in de emmer stopte en zich begon te ontkleden voor een douche. Toen ging er plots een elektrische schok door zijn hart. Rosie! Ze lag nog op zijn bed en hij was haar helemaal vergeten. Vechtend tegen het weeë, dampige gevoel dat in zijn kleren en op zijn huid zat, liep hij ongewassen de gang in de trap op. Hij had een slecht voorgevoel. Geen vrouw had ooit op hem gewacht, waarom zou Rosie dat nu wel doen?

Opeens herinnerde hij zich ook de doos. Hij was stom geweest, hoe kon hij haar nu in zijn kamer alleen laten met de doos, weliswaar achter een deur verstopt maar toch binnen handbereik van een nieuwsgierige vrouw. Uiteindelijk waren ze toch allemaal hetzelfde.

Zijn hart klopte ondertussen in zijn keel en hij probeerde een droge onrust weg te slikken, het lukte niet echt. In de kamer was het allesbehalve stil. Hij hoorde de stemmen van alle vrouwen die ooit naar hem gelachen hadden en daarna hem bleken uitgelachen te hebben. Hij hoorde het schreeuwen van zijn moeder om zijn onhandigheid en slordigheid. Zijn eigen stem zweeg. Hij keek naar het lege, beslapen bed. De dekens opengegooid, haar geur nog verspreidend. De doos met haar naam op. De doos stond op het bed. Het deksel met Rosie’s naam was op de grond gevallen... gegooid? Was ze geschrokken? Was ze boos geweest? Waarom zou ze boos geweest zijn? Wat is er zo fout aan hunkering en hoop?

Hij nam het trouwkleed uit de doos, ze had het terug opgevouwen. Zou ze’t gepast hebben? Zou het te klein geweest zijn en was ze daarom weggevlucht? Hij rook eraan en rook enkel zijn moeder. Het maakte hem misselijk, misselijker dan een smerige keuken of een ongepoetste wc hem ooit konden maken. Rosie was weg, ze had de jurk niet aangedaan. Ook haar geur was weg. Guust bleef achter met het lege omhulsel van hoop en hunkering. Hij dacht: ik ga de jurk wassen en verkopen en ga het geld gebruiken om honderd liter Dettol te kopen.