Vijf rode en zeven witte

Het is een soort van handenarbeid, en handenarbeid, dat verzacht de geest, zei mijn vader altijd. Vijf rode en zeven witte. Stevig binden. Knip. Volgende. Zacht, de geest. De tijd gaat traag vooruit.

Geen roze of blauw, daar waren we zeker van, zelfs al hadden we het geslacht toen al geweten. Iets hevigs. Iets dat de kracht weerspiegelt waarmee we uit ons lood geslagen werden door het uitblijven van haar maandstonden. Een kleur vol leven, het totaal nieuwe zijn waarin we terechtkwamen toen de gynaecoloog het ons bevestigde. Rood. Het laken. Te vroeg. Paniek.

Op tijd beginnen, zeiden koppels met ervaring. De drukker, het kamertje (rood. rood en wit.), de lijst, de borrel, suikerbonen. "Je hebt nooit genoeg suikerbonen", zeiden zij die het kunnen weten. Vijftien kilo rode, vijfentwintig van de witte. Nog honderd zakjes vullen en dan ga ik terug naar het ziekenhuis. Vijf rode en zeven witte. Stevig binden. Knip. Volgende.

Vijf rode en zeven witte per zakje. Nooit een even aantal van eenzelfde kleur, zo had de mevrouw van de winkel het ons op het hart gedrukt. Wisten wij veel dat er daar regels voor bestaan. En de lintjes schuin afknippen, niet recht. "Wacht er niet mee tot het einde, doe het regelmatig en tussendoor", zeiden zij die gewacht hadden. Maar zij hadden negen maanden de tijd, en een kind.

"Wacht niet te lang." Vijf rode. Vijf rode. "Breng haar een stel verse kleren mee, ze zit helemaal onder het bloed." Vijf rode. "Ga, jongen. Ga." Binden. Knip. De volgende. "En kom snel terug. Ze heeft je nodig nu." Nog tachtig zakjes vullen, zo zacht, de geest. Zeven witte. "Ga nu maar."