Woeste winterwolken

Heel langzaam wordt ze wakker van het geluid. Eerst kan ze het niet thuisbrengen, maar al gauw heeft ze door dat het de wind is. De wind die over haar dak raast en de regen tegen haar zolderraam aan slaat. Ze hoeft nog niet op te staan en kruipt behaaglijk dieper onder haar donzen dekbed dat nog heerlijk geurt naar haar slaap. Het aroma van het wasmiddel vermengt zich met haar lichaamsgeur en langzaam soest ze weer weg in een zachte diepe slaap. Het beuken van de regen tegen het raam is geen geluid meer wat haar wakker houdt, ze is al weer in dromenland beland.

Een paar uur later wordt ze rustig wakker, ze ziet dat het licht is en rekt zich traag uit. In haar ochtendjas en op haar slippers loopt ze slaperig naar beneden. Ze doet haar gordijnen open en ziet dat het een sombere donkere dag is, de zon zal zich die dag niet laten zien. Op zulke dagen geniet ze er nog meer van dat het weekend is, dat ze loom haar thee met ontbijt kan nuttigen en vervolgens haar koffie verkeerd. Alles op een paar tandjes lager. Héérlijk een tijdschrift doorbladeren zonder zich al te druk te maken over of ze zich al wel of niet zou gaan aankleden. Als ze een paar uur later onder de douche staat, bedenkt ze zich dat het toch wel heel lekker zou zijn om ondanks het weer er op uit te trekken. Ze besluit dan ook een spijkerbroek aan te trekken, een warme trui, haar blauwe regenlaarzen en haar winddichte jas die goed bestand is tegen de regen. Ze zet haar pet op en trekt de voordeur achter zich dicht. Met haar hoofd diep in haar kraag verborgen loopt ze richting het bos wat op een steenworp afstand van haar huis is. De wind gaat nog steeds behoorlijk tekeer en de regen blijft gestaag neervallen uit de hemel. Alleen met haar eigen gedachten. Op de automatische piloot bereikt ze het bos en realiseert zich dat ze er al is doordat ze de geur herkent van nat boomschors. Ze ademt het eens diep in, kijkt naar boven en ziet de donkere wolken voorbijrazen. Binnen een zeer korte tijd is haar hele gezicht doorweekt, ze richt zich weer vooruit en met stevige tred loopt ze tussen de bomen door het bos in. Wat kan ze hier toch enorm van genieten. Een verlaten bos, geen mens en geen hond die zich in dit weer buiten waagt. De wind die woest door de toppen van de bomen waait, de geur van nat bos. Elk detail neemt ze op, af en toe staat ze stil omdat ze wat hoort. Meestal is het een merel die tussen de bladeren en de aarde zoekt naar iets eetbaars. Eén keer hoort ze het geklop van een bonte specht, ze staat stil en probeert te traceren waar het geluid vandaan komt. Dit keer heeft ze geluk als ze een aantal meters verderop de bonte specht tegen de boombast ziet hangen. Haar hart wordt warm, iedere keer weer zo blij als een klein kind als ze zoiets in de natuur mag aanschouwen. De heerlijke geuren van de natte struiken, bomen en gras dringen door haar neus. Aarde, daar doet het haar nog het meeste aan denken, aarde. Inmiddels verlaat ze het bos al weer en keert ze terug naar huis. Blij dat ze dit tóch gedaan heeft. Ze trekt haar natte jas en laarzen uit en op haar dikke warme sokken loopt ze naar de haard. Ze maakt het vuur aan, schenkt een glas witte wijn voor zichzelf in en gaat op een heerlijke fauteuil voor het vuur zitten. Zo is het leven volmaakt.