ZIJ en IK

"IK: U bent er opnieuw.
ZIJ: U toch ook?
IK: Ik vlucht hier binnen telkens als het regent.
ZIJ: Het regent niet vandaag. Het is alleen maar ijzig koud. Kan U niet tegen de koude?
IK: Ik wou zien of U er weer zou zijn.
ZIJ: Maar ik ken U niet!

IK: Misschien wil U me wel leren kennen.
ZIJ: Doet U dit altijd, onbekenden aanklampen?
IK: Dat doe ik niet. En U bent geen onbekende. En U zit hier elke dag op deze zelfde bank. En elke dag kijk ik naar U. En ik vraag me dan af waar U naar kijkt.
ZIJ: Doet U dat altijd? Ik bedoel elke zin met ‘En’ beginnen?
IK: En doet U dat altijd, elke vraag beginnen met “Doet U dat altijd?
ZIJ: Touché…
(stilte)
ZIJ: Dit schilderij doet me aan mijn vriendin denken. Ze is vorig jaar overleden
IK: O… Het spijt me
ZIJ: Bent U god misschien, dat het U spijt? U kan daar toch niets aan doen
IK: Uw vriendin…?
ZIJ: Kanker. Ze was de liefde van mijn leven.
(stilte)
ZIJ: Als U god was, ik zou U ter plekke vermoorden. U heeft mij alles afgepakt.
IK: Als ik god was, dan had ik U ook alles gegeven.
ZIJ: Had me dan maar niks gegeven, als ik toch alles moet verliezen.
IK: U bent echt kwaad. Maar ik ben god niet, gelukkig maar. Ik schrijf dit scenario niet.
ZIJ: Het is vuil spel. Iedereen gaat de laatste tijd dood. Mijn kalender is een begrafenisstoet.
IK: Misschien moeten we een sterfverbod instellen.
ZIJ: Als dat zou kunnen.
IK: Dat deed ooit een burgemeester in een Bretoense gemeente. Zijn kerkhof was vol. Verboden te sterven, een jaar lang, op straf van boete.
ZIJ: Doet U dat altijd, dergelijke wijsheden debiteren?
IK: Nu doet U het weer!
ZIJ: Wat dan!?
IK: Dat van “Doet U dat altijd”…
ZIJ: (lacht)
(lange stilte)
ZIJ: Hoe moet het nu verder?
IK: Met wat?
ZIJ: Met ons, met dit gesprek.
IK: Wilt U dat echt weten?
ZIJ: Gaat U straks gewoon weer weg? En denkt U dan nog eens aan mij? Komt U morgen terug, ook als het niet regent?
IK: Dat hangt niet van mij af.
ZIJ: Legt U alle initiatief bij mij? Wat bent U toch voor iemand?
IK: Ik ben niet anders dan U. Wij zijn allebei personages. Ik moest met U een gesprek beginnen. Meer weet ik er ook niet van.
(stilte)
ZIJ: Ik dacht even… Ik denk… Ik zal U iets raars vertellen. U mag me niet uitlachen. Toen ik studeerde kwam ik een man tegen, een jongen nog. Hij zei dat hij de Engel van de Universele Liefde was. Hij had een missie. Elke vrouw heeft het recht om bemind te worden, om mooi gevonden te worden, zei hij. Hij kon de schoonheid in elke vrouw zien. Ik vroeg hem wat er dan wel zo mooi aan mij was. Ik vond mezelf toen niet zo mooi. Toen zeker niet. Nu kan het me helemaal niet schelen.
IK: Die jongeman… Die engel… Hij heeft U in de ogen gekeken en hij heeft U gezegd dat het mooiste aan U die grote neus was, het klapstuk van uw gezicht. Omdat die neus van U de blik van de aandachtige toeschouwer onweerstaanbaar leidt naar de pracht van uw ogen. Uw ogen deden hem denken aan de vijvers van Monet. Een onbeschrijflijk groen met dansende vlekken van glinsterend oranjebruin. Ik weet het niet meer precies, maar zoiets zal hij gezegd hebben.
ZIJ: (verbijsterd) Hoe wéét u dat!?
IK: Ook in dat verhaal speelde ik een rol.
(stilte)
IK: Kijk eens naar dat schilderij. Zie je dat vreemde wezen? Dat bestond alleen in de verbeelding van de schilder. Nu bestaat het echt. Maar dan alleen binnen de wereld die door dat schilderij is gemaakt. Zo is het ook met ons. Iemand anders houdt hier de pen vast, of hoe ze tegenwoordig ook verhalen schrijven. Die iemand heeft ons hier samen gezet. Veel hebben wij daar niet in te zeggen.
ZIJ: U beweert dat wij niet meer zijn dan personages in andermans verhaal? Hou op, zeg! De pijn die ik voel is echt.
IK: U vergist zich. Het kan elk moment ophouden."